3.12.3 – Augustinus en Bernardus van Clairvaux over de echte rechtvaardigheid

0
159

En zulke voorbeelden hebben we niet alleen in de Heilige Schrift. Alle vrome schrijvers laten zien dat ze er zo over dachten. Augustinus zegt bijvoorbeeld: ‘Dit is de enige hoop van alle vromen die onder deze last van het vergankelijke vlees en in deze zwakheid van leven zuchten: we hebben een middelaar, Jezus Christus, de rechtvaardige. Hij is het die bidt of onze zonden vergeven mogen worden.’1 Wat horen we? Als dit hun enige hoop is, waar is dan het vertrouwen op hun daden?

En Bernardus zegt: ‘En inderdaad, waar is voor zwakke mensen anders een veilige en zekere rust en zorgeloosheid, dan in de wonden van de redder? Hoe machtiger Hij is om te redden, hoe rustiger ik daar woon. De wereld roept, het lichaam dringt, de duivel loert. Ik val niet, omdat ik gefundeerd sta op een stevige rots. Ik heb een zware zonde begaan, mijn geweten wordt onrustig, maar het zal niet volledig in verwarring raken, omdat ik zal blijven denken aan de wonden van de Heer.’

Later concludeert hij daaruit: ‘Daarom is de ontferming van de Heer mijn verdienste. Ik zit niet volledig zonder verdienste, zolang Hij niet zonder ontferming zit. Als de Heer veel barmhartigheid heeft, heb ik dus ook veel verdiensten. Zal ik dan zingen over mijn eigen rechtvaardigheid? Heer, ik zal alleen aan uw rechtvaardigheid denken. Want dat is ook mijn rechtvaardigheid. Want Hij is voor mij door God rechtvaardigheid geworden.’2

En: ‘Dit is de hele verdienste van de mens: dat hij heel zijn hoop stelt op Hem die de hele mens redt.’3

En, zelf vrede houdend, maar toch de eer aan God gevend: ‘Uw eer moet onaangetast blijven. Met mij gaat het goed als ik vrede heb. De eer wijs ik volledig af, om te voorkomen dat ik zou verliezen wat ik gekregen heb, omdat ik mij aanmatig wat niet van mij is.’4

Ergens anders spreekt hij nog duidelijker: ‘Waarom zou de kerk zich zorgen maken om de verdiensten? In Gods plan ligt voor haar een veel sterkere en veel zekerder reden om te roemen! Dus is er geen reden voor jou om te vragen dankzij welke verdiensten wij goede hoop hebben, vooral omdat je bij de profeet Ezechiël hoort: “Ik zal het niet doen omwille van jullie, maar omwille van Mijzelf, spreekt de HEER.”5 Het is verdienste genoeg als je weet dat de verdiensten niet genoeg zijn. Maar zoals het verdienste genoeg is om je niets in te beelden over verdiensten, zo is geen verdiensten hebben ook genoeg om veroordeeld te worden.’

Dat Bernardus rustig het woord ‘verdiensten’ gebruikt voor goede daden, moeten we maar door de vingers zien als een gewoonte van zijn tijd. Uiteindelijk was het zijn bedoeling om de huichelaars aan het schrikken te maken, die brutaal tegen Gods genade ingingen door zich de vrijheid aan te matigen om te zondigen. Dat legt hij later ook in zijn eigen woorden uit: ‘Gelukkig de kerk die niet zonder verdiensten zit zonder zich iets in te beelden, maar zich wel iets inbeeldt zonder verdiensten. De kerk heeft reden om zich iets in te beelden, maar geen verdiensten. De kerk heeft verdiensten, maar die zijn bedoeld om te verdienen, niet om zich iets in te beelden. Zich niets inbeelden, is dat niet juist een verdienste? Dus mag de kerk zich extra gerust iets inbeelden, omdat ze zich niets inbeeldt. Want ze heeft alle aanleiding om te roemen: de overvloedige barmhartigheid van de Heer!’6

1Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium III, 5,15

2Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum 61,3

3Bernardus van Clairvaux, Sermones in psalmum Qui habitat 15,5

4Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum 13,4

5Ezechiël 36:22; Ezechiël 36:32

6Bernardus van Clairvaux, Sermones super Cantica canticorum 68,6

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in