3.11.8 – Christus is onze rechtvaardigheid volgens zijn menselijke natuur

0
83

Wat betreft het aannemen van Christus gaat Osiander nog een stap verder. Hij zegt dat je via de uitdeling van het uiterlijke woord het innerlijke woord ontvangt. Zo wil Osiander ons wegleiden van Christus’ priesterschap en de persoon van de middelaar en ons zogenaamd brengen bij zijn eeuwige God zijn. Maar ik deel Christus niet. Ik belijd dat Hij die ons in zijn vlees verzoend heeft met de Vader en ons de rechtvaardigheid gegeven heeft, dezelfde is als Gods eeuwige Woord. En dat Hij alleen omdat Hij de eeuwige God is, de taak van middelaar kon vervullen en voor ons de rechtvaardigheid kon verwerven.

Maar Osiander is van mening dat Christus, omdat Hij zowel God als mens is, wat betreft zijn goddelijke natuur rechtvaardigheid voor ons geworden is. Niet wat betreft zijn menselijke natuur. Maar als dat eigen is aan zijn God zijn, kan het nooit iets specifiek van Christus zijn. Dan deelt Hij dat met de Vader en de Geest. Immers, de rechtvaardigheid van de een is geen andere rechtvaardigheid dan die van de ander.

Verder vindt Osiander dat het niet klopt dat ik zeg dat Christus voor ons rechtvaardigheid gemaakt is, omdat Hij dat van nature van eeuwigheid al was. Maar ook al zou ik hem dat toegeven, dat God voor ons rechtvaardigheid geworden is, hoe klopt dat dan met wat Paulus er tussengevoegd heeft: Christus is voor ons rechtvaardigheid geworden ‘van God’?1 Vast en zeker is dit iets dat hoort bij de persoon van de middelaar. Hij heeft de goddelijke natuur in zich, maar hier wordt Hij toch met een eigen kenmerk aangeduid. Zo wordt Hij hier van de Vader en de Geest onderscheiden.

En het is ronduit belachelijk dat Osiander zo hoog van de toren blaast naar aanleiding van een uitspraak van Jeremia. Jeremia belooft dat JHWH onze rechtvaardigheid zal zijn.2 Maar daar kan Osiander toch niets anders uit afleiden dan dat Christus – onze rechtvaardigheid – God is, geopenbaard in het vlees? Ergens anders heb ik uit een preek van Paulus genoemd dat God zijn kerk voor zich verworven heeft met zijn bloed.3 Stel nu dat iemand daaruit zou concluderen dat het bloed waarmee de zonden verzoend zijn, goddelijk is en de goddelijke natuur heeft. Wie zou zo’n schandelijke dwaling kunnen verdragen? Toch denkt Osiander dat hij met deze kinderlijke spitsvondigheid de volledige overwinning behaald heeft. Verwaand jubelt hij het uit en vult hij vele bladzijden met zijn hoogdravende retoriek. Maar de oplossing is simpel en gemakkelijk: als JHWH een nakomeling van David geworden is, zal Hij de rechtvaardigheid van de vromen zijn.

Hoe Hij dat zal zijn, leert Jesaja: ‘Door zijn kennis zal mijn slaaf, de rechtvaardige, velen rechtvaardigen.’4 We moeten opmerken dat hier de Vader spreekt. De Zoon geeft Hij de taak om te rechtvaardigen. De reden noemt Hij erbij: Hij is de rechtvaardige. En als de manier waarop of het middel noemt Hij de leer waardoor Christus gekend wordt. Want het past beter als je het Hebreeuwse woord da’at – ‘kennen’ – passief opvat.

Hieruit concludeer ik dat Christus rechtvaardigheid geworden is toen Hij het uiterlijk van een slaaf aannam.5 En in de tweede plaats dat Hij ons rechtvaardigt voorzover Hij gehoorzaamheid bewezen heeft aan de Vader.6 Daarom geeft Hij ons de rechtvaardiging niet volgens zijn goddelijke natuur, maar door middel van de dienst die Hem is opgedragen. Natuurlijk is God de bron van de rechtvaardigheid en kunnen wij alleen maar rechtvaardig zijn door deel te hebben aan Hem. Maar door een ongelukkige scheiding zijn wij ver verwijderd geraakt van zijn rechtvaardigheid. Daarom hebben wij als tweede keus deze remedie nodig: Christus moet ons rechtvaardigen door de kracht van zijn dood en opstanding.

11 Korinthiërs 1:30

2Jeremia 23:6; Jeremia 33:16

3Handelingen 20:28

4Jesaja 53:11

5Filippenzen 2:7

6Romeinen 5:19

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in