3.11.5 – De dwaling van Osiander: wezenlijke rechtvaardigheid

0
70

Maar Osiander heeft een of ander vreemd monster geïntroduceerd: een wezenlijke rechtvaardigheid. Weliswaar heeft hij de onverdiende rechtvaardigheid daarmee niet aan de kant willen schuiven. Maar toch heeft hij die zo in duisternis gehuld dat het hart van vrome mensen donker wordt en wordt beroofd van een serieus besef van Christus’ genade. Vóór ik andere dingen ga behandelen, moet ik daarom eerst deze waanzin weerleggen.

Om te beginnen blijkt uit deze speculatie alleen maar zinloze nieuwsgierigheid. Weliswaar stapelt Osiander veel bewijzen uit de Schrift op om daarmee aan te tonen dat Christus één is met ons en wij van onze kant ook met Hem. Maar daar is geen bewijs voor nodig. Echter, hij ziet niet wat de band is die deze eenheid vormt. Daardoor verstrikt hij zichzelf. Maar ik kan al zijn knopen gemakkelijk ontwarren. Want ik weet dat we met Christus verbonden worden door de verborgen kracht van zijn Geest.

Wat deze meneer bedacht heeft, is verwant aan de opvatting van de manicheeërs: hij probeerde het wezen van God over te gieten in de mensen, dat wil zeggen: de menselijke ziel zou een stukje zijn van Gods wezen. Dat leidde vervolgens tot zijn andere verzinsel: Adam is geschapen naar Gods beeld omdat Christus al vóór de val bestemd was als voorbeeld voor de menselijke natuur. Maar ik probeer kort te zijn. Daarom zal ik bij het tegenwoordige onderwerp blijven.

Osiander zegt dat we één zijn met Christus. Dat erken ik. Maar ondertussen ontken ik dat Christus’ wezen met ons wezen vermengd wordt. Bovendien zeg ik dat Osiander dit uitgangspunt misbruikt voor zijn volgende goocheltrucs: Christus is rechtvaardigheid voor ons omdat Hij de eeuwige God is, de bron van de rechtvaardigheid en Gods rechtvaardigheid zelf. De lezers moeten mij maar vergeven dat ik nu alleen aanstip wat ik, gezien de juiste volgorde van onderwijs, tot later moet uitstellen.

Osiander verontschuldigt zich door te zeggen dat hij met de term ‘wezenlijke rechtvaardigheid’ niets anders bedoelt dan tegemoet te komen aan de opvatting dat we om Christus’ wil als rechtvaardig beschouwd worden. Toch blijkt uit wat hij zegt duidelijk dat hij niet tevreden is met de rechtvaardigheid die we gekregen hebben door de gehoorzaamheid en het offer van de dood van Christus. Integendeel, hij verzint dat we daadwerkelijk in God rechtvaardig zijn, doordat zowel Gods wezen als Gods hoedanigheid in ons overgegoten is. Want dat is de reden dat hij zo fel beweert dat niet alleen Christus, maar ook de Vader en de Geest in ons wonen.

Nu erken ik dat dat waar is. Maar toch zeg ik dat hij dat op een verkeerde manier verdraait. Want je moet wel bedenken op welke manier zij in ons wonen: de Vader en de Geest zijn in Christus. Omdat in Hem het hele wezen van God huist, hebben wij in Hem God helemaal. Dus alles wat Hij over de Vader en de Geest afzonderlijk naar voren brengt, is alleen maar bedoeld om eenvoudige mensen van Christus af te trekken.

Vervolgens leert Osiander een vermenging van wezen. Daardoor giet God zichzelf uit in ons en maakt Hij ons als het ware tot een deel van zichzelf. Want volgens Osiander stelt het niets voor dat wij door de kracht van de Heilige Geest één worden met Christus en dat Christus ons hoofd is en wij zijn ledematen, tenzij zijn wezen vermengd wordt met ons wezen. Maar wat Osiander bedoelt, laat hij – zoals ik zei – duidelijker blijken als hij het heeft over de Vader en de Geest: wij worden niet gerechtvaardigd alleen door de genade van de middelaar en in de persoon van de middelaar wordt ons de rechtvaardigheid ook niet simpelweg en volledig aangeboden. Nee, wij delen in Gods rechtvaardigheid omdat God in zijn wezen één met ons wordt.

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in