3.11.11 – Osianders dwaling ondermijnt het vertrouwen op Gods genade

0
89

Er schuilt echter meer gif in het tweede deel, waar Osiander leert dat wij samen met God rechtvaardig zijn. Dit is niet zo’n gevaarlijk dogma, want voor vrome lezers met gezond verstand is het terecht ongeloofwaardig. Toch – ik vind dat ik dat al voldoende aangetoond heb – is het een onacceptabele goddeloosheid dat hij onder het mom van een dubbele rechtvaardigheid het vertrouwen op de redding aan het wankelen brengt en ons meesleept tot boven de wolken om te voorkomen dat we de genade van verzoening door het geloof zouden omhelzen en God met een gerust hart zouden aanroepen.

Wie leert dat het woord ‘rechtvaardiging’ een juridische term is, wordt door Osiander uitgelachen. Want, zegt hij, we moeten daadwerkelijk rechtvaardig zijn. Niets wijst hij zo sterk af als dat we gerechtvaardigd worden door een onverdiende toekenning.

Welnu dan, als God ons niet rechtvaardigt door ons vrij te spreken en ons vergeving te schenken, wat betekent dan deze uitspraak van Paulus? ‘God heeft in Christus de wereld met zichzelf verzoend en de mensen hun zonden niet aangerekend. Want Hem die geen zonde had, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, zodat wij in Hem Gods rechtvaardigheid zouden zijn.’1

Om te beginnen begrijp ik hieruit dat degenen die als rechtvaardig beschouwd worden, degenen zijn die met God verzoend worden. De manier waarop dat gebeurt, staat erbij: God rechtvaardigt door vergeving te schenken, zoals in een andere passage rechtvaardiging tegenover de beschuldiging gezet wordt. Die tegenstelling laat duidelijk zien dat deze manier van spreken uit de taal van de rechtspraak komt. En ieder die de Hebreeuwse taal maar een beetje begrijpt, weet heel goed – als hij maar een beetje rustig nadenkt – dat deze manier van spreken daarvandaan komt en bovendien wat er mee bedoeld wordt en wat het betekent.

Verder zegt Paulus dat David een definitie geeft van de rechtvaardigheid buiten je daden om met deze woorden: ‘Gelukkig hij wiens overtredingen vergeven zijn.’2 Nu moet Osiander mij maar eens antwoord geven op de vraag of dat een volledige of een halve definitie is. Paulus voert de profeet natuurlijk niet als getuige op voor de leer dat de vergeving van zonden slechts een onderdeel van de rechtvaardiging is, alsof het er alleen maar aan bijdraagt dat een mens gerechtvaardigd wordt. Integendeel, hij laat de rechtvaardigheid volledig samenvallen met de onverdiende vergeving. Want hij noemt een mens echt gelukkig als zijn zonden bedekt zijn, als God zijn overtredingen vergeven heeft en ze hem niet aanrekent. Daar meet hij zijn geluk aan af omdat hij op die manier rechtvaardig is, niet daadwerkelijk, maar door toekenning.

Osiander brengt hiertegen in dat het voor God een belediging en tegennatuurlijk zou zijn als Hij mensen zou rechtvaardigen die in werkelijkheid goddelozen blijven. Maar je moet wel bedenken wat ik al gezegd heb: de genade van de rechtvaardiging mag niet losgemaakt worden van de nieuwe geboorte, ook al zijn het verschillende dingen. Toch weten we meer dan voldoende uit eigen ervaring dat er in de rechtvaardigen altijd een restant van zonde blijft. Daarom moeten ze wel op een heel andere manier gerechtvaardigd worden dan waarop ze opnieuw geboren worden tot een nieuw leven. Want dat nieuwe leven laat God in zijn uitverkorenen alleen beginnen en Hij laat hen in heel hun levensloop slechts stukje bij beetje en soms langzaam vooruitkomen. Voor zijn rechterstoel blijven ze daarom altijd de doodstraf verdienen.

Maar wat betreft de rechtvaardiging, die bewerkt God niet maar voor een deel, maar zo royaal dat ze in de hemel verschijnen alsof ze gekleed zijn in Christus’ zuiverheid. Immers, een gedeeltelijke rechtvaardigheid zou het geweten geen rust geven. Rust krijgen we pas als vaststaat dat God blij met ons is omdat we in zijn ogen volkomen rechtvaardig zijn. Dat betekent dus dat de leer van de rechtvaardiging bedorven en volledig omvergehaald wordt als er twijfel gezaaid wordt in het hart, als het vertrouwen op redding geschokt wordt en als het vrijuit en onbeschroomd aanroepen van God gehinderd wordt, ja, als de vrede en rechtvaardigheid niet met geestelijke blijdschap stevig verankerd wordt. Daarom argumenteert Paulus op basis van een tegenstelling. Hij zegt dat de erfenis niet voortkomt uit de wet, want dan zou het geloof geen betekenis meer hebben.3 Want zodra je let op je daden, begint je geloof te wankelen. Immers, niemand van de allerheiligste mensen kan in zijn daden iets vinden waar hij op kan vertrouwen.

Er is dus onderscheid tussen de rechtvaardiging en de nieuwe geboorte. Osiander vermengt ze met elkaar en noemt ze een dubbele rechtvaardigheid. Maar Paulus geeft heel mooi aan wat het onderscheid is. Als hij het heeft over zijn daadwerkelijke rechtvaardigheid of zuiverheid die hij zelf gekregen zou hebben – Osiander noemt dat de wezenlijke rechtvaardigheid – roept hij klagend uit: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood?’4 Maar wanneer hij zijn toevlucht neemt tot de rechtvaardigheid die alleen gebaseerd is op Gods barmhartigheid, dan tart hij fier leven, dood, beledigingen, honger, het zwaard en alle tegenslagen. ‘Wie zal een beschuldiging inbrengen tegen Gods uitverkorenen, die Hij zelf rechtvaardigt? Want ik ben er zeker van dat niets ons zal scheiden van zijn liefde in Christus!’5 Hij spreekt duidelijk uit dat hij een rechtvaardigheid heeft die, alleen, voor God volledig genoeg is om hem te redden. Hij roemt vol vertrouwen. Zijn ellendige slavernij doet daar niets aan af en vormt daar geen belemmering voor, ook al had het besef daarvan er kort daarvóór nog voor gezorgd dat hij over zijn lot klaagde. Dit onderscheid is genoegzaam bekend. Alle heiligen zijn er vertrouwd mee. Ze zuchten onder de last van hun zonden, maar ondertussen overwinnen ze elke angst omdat het vertrouwen zegeviert.

En Osianders bezwaar dat dit tegen Gods natuur ingaat, slaat op hemzelf terug. Want hij kleedt de heiligen weliswaar met een dubbele rechtvaardigheid, als met een kleed voorzien van een voering. Maar toch blijkt hij gedwongen om te erkennen dat God over niemand tevreden is zonder vergeving van zonden. Als dat waar is, laat hij dan in elk geval toegeven dat naar rato van deze toegekende rechtvaardigheid mensen als rechtvaardig beschouwd worden die niet daadwerkelijk rechtvaardig zijn. Maar hoever mag een zondaar deze gratis aanneming in plaats van daadwerkelijke rechtvaardigheid eigenlijk laten reiken? Tot elf twaalfde deel of tot één twaalfde deel? Hij zal natuurlijk altijd blijven weifelen en twijfelen tussen de ene en de andere kant. Want hij mag nooit genoeg rechtvaardigheid nemen om vast te kunnen vertrouwen. Het is goed dat in dit geval de scheidsrechter niet iemand is die God de wet zou willen voorschrijven. Deze woorden blijven overeind: ‘Zodat U gerechtvaardigd wordt in uw spreken en overwint als er over U geoordeeld wordt.’6

En wat is het arrogant om de hoogste rechter te veroordelen als Hij uit genade vrijspreekt! Alsof deze uitspraak niet geldt: ‘Ik zal barmhartig zijn wie ik barmhartig zal zijn.’7 Met deze woorden werd Mozes’ tussenkomst begrensd. Maar de bedoeling van die tussenkomst was niet dat God niemand moest sparen, maar dat Hij iedereen zou verlossen van hun schuld en hen zou vrijspreken, hoewel we allemaal even schuldig waren. En ik zeg wel dat degenen die verloren zijn voor God gerechtvaardigd worden nadat hun zonden begraven zijn, omdat God de zonden haat en dus alleen kan liefhebben wie Hij rechtvaardigt. Maar dat is een wonderlijke manier van rechtvaardigen: zij die met Christus’ rechtvaardigheid bedekt zijn, sidderen niet voor het oordeel dat ze verdienen. Terecht veroordelen ze zichzelf. Maar buiten zichzelf worden ze als rechtvaardig beschouwd.

12 Korinthiërs 5:18-21

2Psalm 32:1; Romeinen 4:7

3Galaten 3:18

4Romeinen 7:24

5Romeinen 8:33-39

6Psalm 51:6

7Exodus 33:19

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in