22.7 – De Tien Geboden

0
17

Doordat Christus en zijn apostelen de morele wet van het Oude Testament telkens terugleidden tot de liefde voor God en de naaste, kwam in de christelijke moraal langzamerhand de gewoonte op om de deugden en plichten van de mens uiteen te zetten aan de hand van de Tien Geboden. Dit gebruik vond vooral ingang bij de reformatoren, omdat zij als één van de kenmerken van de goede werken stelden dat ze gebeuren volgens Gods wil. Ze namen daarmee positie tegenover de roomse kerk, die tot de goede werken ook handelingen rekent die op menselijke bepalingen gebaseerd zijn (Heidelbergse Catechismus antwoord 91).

Rome maakt namelijk onderscheid tussen geboden en adviezen en meent dat de laatste door Christus als een nieuwe, hogere wetgever aan de wet van Mozes zijn toegevoegd. In de eerste tijd van de christelijke kerk kende men dit onderscheid nog niet. Maar toen de tijden van de vervolging voor de gemeente voorbijgingen en allerlei mensen zich erbij voegden die haar gemeenschap alleen zochten om eer en aanzien, toen daalde het morele peil en trokken vele ernstig gezinden zich in de eenzaamheid terug. Het monnikendom, dat daarmee ontstond, probeerde het morele ideaal vast te houden, maar deed dat op een manier die voor de gewone christenen, die leefden in hun gezin en beroep, niet na te volgen was. Zo kwam er langzamerhand een onderscheid tussen monniken (geestelijken) en leken en in verband daarmee tussen een hogere en een lagere moraal, tussen geboden en adviezen. De geboden in de tien woorden zijn namelijk voor alle christenen verplichtend, maar de adviezen worden in ieders vrije keus gesteld.

Onder die adviezen werden langzamerhand de zogenaamde kuisheid of de ongehuwde staat gerekend, op grond van Mattheüs 19:11-12 en 1 Korinthiërs 7:7 e.v., de armoede of het afstand doen van elk aards bezit, met een beroep op Mattheüs 19:21 en 1 Korinthiërs 9:14, en de absolute gehoorzaamheid aan de overste onder wiens leiding men zich plaatst, in navolging van Mattheüs 16:24 en Lukas 14:26-27. Maar ze worden in de monnikenorden dikwijls nog uitgebreid met allerlei onthoudingen, tuchtigingen en zelfkwellingen, met een beroep op Mattheüs 5:29, 5:39, 5:42 enzovoort. Daarbij wordt nu weliswaar door Rome overeind gehouden dat het ideaal van de morele volmaaktheid voor alle gelovigen hetzelfde is en door allen langs de weg van de gehoorzaamheid aan de geboden moet worden nagejaagd. Maar wie bij de geboden ook de adviezen opvolgt, betreedt toch een sneller en een veiliger weg om het doel te bereiken en krijgt ook een grotere waardigheid en een rijker loon. Terwijl de gewone gelovige, die de wet volbrengt, een nutteloze dienaar blijft, die slechts gedaan heeft wat hij schuldig was te doen, Luk. 17:10 hoort de christen die ook de adviezen heeft opgevolgd, zich door Jezus toespreken als de goede en trouwe dienaar, die over weinig trouw is geweest en over veel wordt aangesteld. Mat. 25:21

Het spreekt vanzelf dat de Reformatie zich niet in dit onderscheid kon vinden. Diep overtuigd van het bederf van de menselijke natuur leerde zij dat ook zelfs de opnieuw geborenen de wet niet volledig in acht konden nemen, dat hun beste werken nog met zonde bevlekt waren en dat de allerheiligsten het niet verder konden brengen dan tot een klein begin van de volmaakte gehoorzaamheid (Heidelbergse Catechismus antwoord 62 en 114). Aan het opvolgen van adviezen kan de gelovige nooit toekomen, omdat hij al genoeg heeft te doen aan het volbrengen van de geboden. Maar bovendien, God eist in de morele wet dat we Hem zullen liefhebben met heel ons verstand en al onze kracht en de naaste als onszelf. Mat. 22:37, Luk. 10:27 Hoe kan er bij zo’n gebod nog een advies bijkomen? Als God ons volledig, altijd en overal opeist voor zijn dienst, dan blijft er niets over waarover we de vrije beschikking hebben en dat we Hem volgens een vrije keuze kunnen geven of onthouden. Er is dan ook geen grond voor de bewering dat Christus nog adviezen als wet van de vrijheid aan de noodzakelijke geboden van de Mozaïsche wet heeft toegevoegd. Want hoewel er gevallen zijn waarin iemand zich van het huwelijk moet onthouden, zich van zijn goederen moet ontdoen, zich aan zijn gewone omgeving en beroep moet onttrekken, hij krijgt dan geen bijzonder advies, dat hij volgens een vrije keuze kan opvolgen of nalaten. Nee, een en dezelfde wet eist overeenkomstig de aard van de omstandigheden een bijzondere toepassing en stelt die verplicht. De rijke jongeman ontving geen advies van Christus, dat hij evengoed kon verwerpen als aannemen. Nee, hij ontving, als toetssteen van de oprechtheid en de beslistheid van zijn hart, een gebod om al zijn goederen te verkopen en aan de armen te geven. Daaruit zou blijken of hij inderdaad alles voor Christus en zijn koninkrijk over had. We moeten dus onderscheid maken tussen wet en plicht. De wet is voor allen een en dezelfde, maar de plicht is de specifieke manier van handelen die uit de algemene morele wet door ieder overeenkomstig zijn aard en toestand hoort te worden afgeleid.

De reformatoren verwierpen daarom alle werken die gebaseerd waren op het goeddunken van de mensen of de voorschriften van de kerk en keerden terug naar de wil van God als maatstaf voor de goede werken. Die wil vonden ze kort en zakelijk uitgedrukt in de tien geboden. Maar de wet van de tien woorden staat niet los op zichzelf. Ze bevindt zich midden in een rijke omgeving. Ze stond wat betreft haar zakelijke inhoud oorspronkelijk geschreven in het hart van de volgens Gods beeld geschapen mens. Ze is daarin nog deels bewaard, voor zover alle mensen van nature de dingen doen die tot de wet behoren en daardoor tonen dat het werk van de wet in hun harten geschreven staat. Rom. 2:14-15 Ieder mens heeft het bewustzijn dat hij voor zijn bestaan en handelen aan bepaalde morele regels gebonden is en voelt zich bij overtreding door zijn geweten beschuldigd. Onder Israël werd de wet door een bijzondere openbaring in haar zuiverheid hersteld, dienstbaar gemaakt aan het verbond van de genade dat God, zoals uit de inleidende woorden blijkt, met zijn volk had opgericht en opgenomen in een samenstel van verordeningen en bepalingen die heel het leven van het volk moesten regelen. Bovendien werd de wet in de geschiedenis van Israël door de psalmisten, spreukendichters en profeten op allerlei manieren toegelicht, uitgewerkt en toegepast, zodat Jezus kon zeggen dat aan de twee geboden van liefde voor God en de naaste heel de wet en de profeten hangen. Mat. 22:40

En als Christus de vervulling brengt van alle oudtestamentische heilsbeloften, dan schaft Hij de wet niet af, maar volbrengt heel haar gerechtigheid. Hij baant door zijn volmaakte gehoorzaamheid de weg en schenkt in de Heilige Geest de kracht waardoor zijn leerlingen volgens alle geboden van de wet, in principe, kunnen en willen wandelen. Je kunt zeggen dat heel het evangelie bedoeld is om het recht van de wet te vervullen in hen die niet volgens het vlees, maar volgens de Geest wandelen. Het geestelijk leven van de wedergeboorte wordt dienstbaar gemaakt aan het herstel van het moreel leven. De lange reeks van vermaningen, waarmee de apostelen in de regel hun brieven besluiten, zijn een uitbreiding en toepassing van de heilige wet van de Heer en zijn bedoeld om de gelovigen in al hun verhoudingen en toestanden te laten leven overeenkomstig Gods wil en tot verheerlijking van zijn naam. Uit dit rijke verband mag de wet van de tien geboden niet worden losgemaakt. Ze moet beschouwd en verklaard worden bij het licht van heel Gods openbaring in natuur en Schrift.

Als we ze zo opvatten, zijn de tien geboden een korte samenvatting van de christelijke moraal en een voortreffelijke regel voor ons leven. Er zijn nog vele andere wetten waaraan we gebonden zijn. God gaf ook wetten voor ons denken, voor ons genieten van het mooie, voor onze omgang met anderen, voor onze bearbeiding van het materiaal van de natuur. Hij stelde ordeningen vast voor alle schepselen, voor hemel en aarde, voor zon en maan en sterren, voor dag en nacht, zomer en winter, zaai- en oogsttijd. Gen. 8:22, Jer. 31:35, 33:25 Maar de morele wet gaat al deze ordeningen in voortreffelijkheid ver te boven, want in onderscheid met al deze ordeningen richt de morele wet zich op de wil van de mens, of liever op de mens zelf als willend wezen en dus op het innerlijkste van zijn bestaan, op de kern van zijn persoonlijkheid. En ze stelt de eis dat hij niet slechts in zijn woorden en daden, maar evenzeer in zijn gedachten en begeerten, in zijn aard en natuur volkomen aan haar regel zal beantwoorden. De wet is geestelijk. Rom. 7:14 We moeten volmaakt zijn zoals onze Vader, die in de hemelen is. Mat. 5:48 In het tiende gebod dringt de wet door tot de wortel van de zonde, tot de begeerlijkheid, en stelt ook die schuldig en onrein voor Gods aangezicht.

Verder gaat die wet over alle verhoudingen waarin de mens zich geplaatst ziet, tot God, de medemens, zichzelf en heel de natuur. Tot God in zijn wezen, in zijn dienst, in zijn openbaring, in zijn dag. Tot de medemensen in hun verschillende rangen en standen, in hun leven, eerbaarheid en eigendom. Tot zichzelf in de waarheid van zijn verstand en in de zuiverheid van zijn hart. En in dat alles tot heel de natuur die hem omringt, tot zijn ambt en beroep, tot zijn arbeid en ontspanning, tot heel de levende en levenloze schepping. En zowel in dat innerlijke zijn als in al die rijke verhoudingen eist de morele wet dat de mens alles wat hij doet, zal doen om God te verheerlijken. 1 Kor. 10:31, Kol. 3:17

Als we de wet in deze diepe, geestelijke zin van haar opvatten, schijnt ze ons eerst af te schrikken en aan haar vervulling te laten wanhopen. Als we ook van geen andere gerechtigheid wisten dan die de wet van ons eist, zouden we niet in staat zijn om haar te vervullen en er ook geen zin in hebben. We zouden dan altijd proberen de wet van haar geestelijke inhoud te ontdoen, haar te veruiterlijken, haar pasklaar te maken aan onze gevallen toestand en ons zelf in de waan te brengen dat we met een burgerlijk eerbaar leven aan haar strenge eis konden voldoen. De natuurlijke mens ergert zich aan de geestelijke zin, dat is aan de volmaaktheid van de wet. Hij toornt inwendig tegen de absolute gerechtigheid en heiligheid die de wet eist. Maar zodra we die andere gerechtigheid en heiligheid hebben leren kennen, die God in Christus heeft geschonken en door het geloof ons eigendom maakt, dan verandert ineens onze verhouding tot en onze gedachte over de wet. We klagen er dan wel met Paulus over dat we nog altijd vleselijk verkocht zijn onder de zonde, maar we laten de wet in haar hoogheid staan en doet geen poging meer om haar naar beneden te halen. We eren haar als heilig en rechtvaardig en goed, omdat het de wet van God is. We hebben haar lief, juist omdat ze zo geestelijk is. We hebben er plezier in wat betreft de innerlijke mens. En we danken God niet alleen voor zijn evangelie, maar ook voor zijn wet, voor zijn heilige, rechtvaardige, volmaakte wet. Ook die wordt voor ons een openbaring en een gave van zijn genade. ‘Hoe lief heb ik uw wet. Ik overdenk die heel de dag!’

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in