22.6 – Hoe het geloof heiligt

0
1

Zo is het geloof dus het ene, grote werk dat de christen in de heiliging volgens de principes van het evangelie moet volbrengen. Joh. 6:29 Hoewel het in de heiliging op een andere manier voorkomt en op een andere manier bezien wordt dan in de rechtvaardiging, is het toch in beide weldaden het enige en voldoende middel waardoor we er deel aan krijgen. Het evangelie vraagt niets anders dan geloof, vertrouwen van het hart op Gods genade in Christus. Dat geloof rechtvaardigt ons niet alleen. Het maakt ons ook heilig en zalig. En de heiligende kracht van het geloof komt door de volgende overwegingen zeer helder aan het licht.

In de eerste plaats komt in aanmerking dat het ware, ongehuichelde geloof in ons het valse zelfvertrouwen breekt, onze hoogmoed van zijn voetstuk afrukt en aan alle eigen gerechtigheid een einde maakt. Wanneer we buiten beschouwing laten wie zich om God noch zijn gebod bekommeren en de zonde indrinken als water, en ook afzien van wie uiterlijk het goede alleen doen uit vrees voor straf, voor schade of voor schande, dan blijven nog de mensen over die er serieus naar streven om de geboden van de morele wet te volbrengen in eigen kracht. Maar ze kunnen daarbij nooit het juiste standpunt vinden dat ze tegenover die morele wet horen in te nemen en evenmin het zuivere principe van waaruit ze haar moeten volbrengen. Ze gaan erboven of eronder staan, ze maken de wet dienstbaar aan zichzelf of zichzelf aan de wet. In het eerste geval zeggen ze dat het goede gedaan moet worden om het nut en geluk dat er voor de enkeling of de gemeenschap uit voortvloeit. In het tweede geval plaatsen ze de morele wet hoog boven de mens, maar maken de vervulling ervan, naarmate ze ernstiger wordt opgevat, ook nog onmogelijker. De natuurlijke mens slingert heen en weer tussen sadduceïsme en farizeïsme, tussen vrijheid en gezag. Hij kan de harmonie niet vinden tussen het gebod van de morele wet en de wil van de mens.

Maar het geloof maakt aan die slingering een einde. Het laat ons inzien dat de morele wet hoog boven ons staat en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid eist en dat ze toch niet werkelijk volbracht kan worden en het eeuwige leven kan schenken. En in die schijnbaar onverzoenlijke tegenstelling geeft het zich over aan Gods genade, vertrouwt het op zijn barmhartigheid en roemt het in de gerechtigheid, die door Hemzelf geleverd is. De ware gelovige ziet ervan af om aan de eis van de morele wet tekort te doen en haar pasklaar te maken voor zijn eigen toestand. Hij laat het morele ideaal in al zijn hoogheid staan, maar geeft tegelijk de hoop op dat hij er ooit door eigen krachtsinspanning aan kan beantwoorden. En zo klemt hij zich vast aan God, die in de wet, maar daarna ook in het evangelie zijn gerechtigheid heeft geopenbaard. Dit geloof is daardoor meteen de moeder van tal van deugden. Het kweekt in de mens ootmoed, afhankelijkheid, vertrouwen, allemaal hoedanigheden en eigenschappen die voor het moreel leven van de grootste betekenis zijn. Het doen van het goede krijgt in de religie een stevige basis en een onoverwinnelijke sterkte.

Met deze deugden gaan meteen nog weer andere gepaard. Volgens de orde die God zelf in de gemeente heeft ingesteld, gaan de beloften van het evangelie aan de geboden van de wet vooraf. Eerst verzekert Hij ons van zijn gunst, van de vergeving van onze zonden en van ons erfdeel onder de heiligen en daarna leidt Hij ons langs het pad van zijn getuigenissen en verordeningen. De goede boom gaat aan de goede vruchten vooraf. We leven niet door, maar voor goede werken. We volbrengen de wet niet om, maar uit het eeuwige leven, dat door het geloof in ons hart is geplant. Alleen volgens deze orde komt het tot een echt moreel leven. Wie de orde wil omkeren en troost, zekerheid en zaligheid uit zijn werken wil putten, komt nooit tot het doel. Hij blijft heen en weer geslingerd worden door twijfel en verkeert heel de tijd dat hij in zijn lichaam woont in vrees. God volgt een andere weg. Hij schenkt ons in het evangelie alles gratis: de vergeving van de zonden, de verzoening van de schuld, de kwijtschelding van de straf, de zaligheid en de heerlijkheid. Hij zegt dat we door het geloof volkomen mogen vertrouwen op zijn genade en schenkt ons daarvan de zekerheid door het getuigenis van de Heilige Geest. Het geloof brengt dus op grond van zijn eigen aard troost, vrede, vreugde, blijdschap mee en die zijn voor het moreel leven weer van onschatbare waarde. Ze zijn allemaal samen principes en drangredenen voor een heilige wandel. De reiniging van het geweten van dode werken heeft haar einde en doel in een dienen van de levende God. Heb. 9:14 Zij die door God getroost zijn, worden daarna door Hem versterkt in elk goed woord en werk. 2 Thes. 2:17 De blijdschap in de Heer is de sterkte van zijn volk. Neh. 8:11

Verder is aan het zaligmakend geloof, dat op Gods genade in Christus vertrouwt, zowel een afzonderende als een toe-eigenende, zowel een afbrekende als een opbouwende activiteit eigen. Het laat de verloren zoon omkeren van zijn zondig leven en terugkeren naar het vaderhuis. Het brengt ons in de gemeenschap met Christus’ dood en met zijn opstanding. Het kruisigt ons en wekt ons ook op tot een nieuw leven. Wie werkelijk in Christus gelooft, sterft aan de zonde. Hij voelt er van harte verdriet over, omdat hij God erdoor vertoornd heeft, en begint de zonde te haten en te ontvluchten. Hij brengt tussen de zonde en zichzelf een scheiding tot stand, zodat hij oprecht kan zeggen: ‘Het goede wil ik, al doe ik het niet en het kwade, dat ik doe, dat wil ik toch niet.’ Rom. 7:19 En naar de andere kant eigent het geloof zich Christus met zijn gerechtigheid en heiligheid toe. Het laat Christus zelf wonen in het hart en lijft steeds vaster in in zijn gemeenschap. Het laat Christus gestalte in ons krijgen en hervormt ons hoe langer hoe meer volgens zijn evenbeeld. Kortom: de gelovige kan Paulus nazeggen: ‘Ik ben tot alle dingen in staat door Christus, die mij kracht geeft.’ Fil. 4:13

Ten slotte, om niet meer te noemen, het geloof wordt dikwijls en terecht vergeleken met een hand. Maar een hand is niet alleen het orgaan om iets aan te nemen en ons eigendom te maken. Het is ook het instrument waardoor we onze gedachte en onze wil naar buiten toe verwezenlijken. Zo is het geloof niet alleen een ontvangend orgaan, maar ook een actieve kracht. Het geloof dat rechtvaardigt en zalig maakt, is geen dood, maar een levend geloof. Het brengt uit zijn eigen aard vruchten van goede werken voort. Het is actief in de liefde. Gal. 5:6 De mens wordt niet rechtvaardig door de liefde, maar het geloof dat hem rechtvaardigt, toont zijn levende, actieve kracht in de liefde. Zonder de liefde is het geloof niet het ware, zaligmakend geloof. 1 Kor. 13:1 En met het ware geloof is altijd de arbeid van de liefde verbonden. 1 Thes. 1:3 Want het einddoel van het gebod (van heel de apostolische prediking) is liefde, uit een rein hart, een goede geweten en een ongehuicheld geloof. 1 Tim. 1:5 En deze liefde is als vrucht van het geloof een volmaakte liefde, die de vrees buitensluit, 1 Joh. 4:18 en ze is tegelijk de volkomen vervulling van de wet. Mat. 22:37-40, Rom. 13:8-10, Gal. 5:14, Jak. 2:8

Het evangelie doet dus de wet niet teniet, maar herstelt en bevestigt haar. Wel is aan de eis en vloek ervan een einde gemaakt, omdat Christus zich onder de wet heeft gesteld, haar eis heeft vervuld en haar vloek heeft gedragen. Mat. 3:15, Gal. 3:13, 4:4 We zijn dus geen slaven meer, maar staan in de vrijheid en wandelen in de Geest. Rom. 7:1-6, Gal. 4:5, 4:26 e.v., 5:1 En waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid. 2 Kor. 3:17, Gal. 5:18 Maar deze vrijheid van het geloof heft de wet niet op, maar brengt die juist tot vervulling. Het recht van de wet, dat wat de wet in haar geboden vraagt, wordt juist vervuld in hen die niet volgens het vlees wandelen, maar volgens de Geest. Rom. 8:4 Terwijl het vlees de wet krachteloos maakt, omdat het zich er niet aan kan en wil onderwerpen, Rom. 8:3, 8:7 is het juist de Geest van Christus die de mens levend maakt 2 Kor. 3:6 en het verstand verlicht om te onderzoeken wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is. Rom. 12:2, Ef. 5:10, Fil. 1:10

En die wil van God blijft voor Jezus en de apostelen, ondanks dat de wet in bovengenoemde zin is afgeschaft, kenbaar uit het Oude Testament. Jezus kwam niet om de wet en de profeten te ontbinden, maar om ze te vervullen. Mat. 5:17 Hij spreekt met geen woord over de afschaffing van de wet, behalve voor zover Hij de val van stad en tempel, van heel de burgerlijke regering en de eredienst voorspelt. Mat. 24, Joh. 4:21-24 Maar Hij zuivert de wet wel van de menselijke leringen die er in de scholen van de Joden aan toegevoegd zijn. Mat. 5:20 e.v. Hij keert in de opvatting van de wet van de farizeeën terug naar de profeten. Hij dringt door tot het innerlijke karakter van de wet, stelt het innerlijke boven het uiterlijke, Mar. 7:15 barmhartigheid boven offers Mat. 9:13, 12:7 en vat wet en profeten samen in het gebod van de liefde voor God en de naaste. Mar. 12:28-34, vg. Mat. 7:12 De morele geboden behouden hun kracht.

Dezelfde houding nemen alle apostelen tegenover de wet en de profeten aan. Het Oude Testament behoudt voor hen goddelijk gezag. Het is door God ingegeven, 2 Tim. 3:15 door heilige mannen onder de leiding van Gods Geest geschreven, 2 Pet. 1:21 om ons te onderwijzen en te troosten. Rom. 15:4, 1 Kor. 10:11, 2 Tim. 3:15, 1 Pet. 1:12 Ieder ogenblik wordt dat Oude Testament dan ook aangehaald om de christelijke gemeente Gods wil te laten kennen. Paulus bijvoorbeeld beroept zich voor de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man op Genesis 3:16, 1 Kor. 14:34 voor de plicht van de vrijgevigheid op Psalm 112:9, 2 Kor. 9:9 voor de vermaning om alleen in de Heer te roemen op Jeremia 9:23 1 Kor. 1:31 enzovoort. Vooral de morele wet is in Oud en Nieuw Testament, wat haar inhoud betreft, volkomen dezelfde. Ze wordt omvat door het ene gebod van de liefde. Rom. 13:8-10, Gal. 5:14, Jak. 2:8 Wel spreekt Christus over de liefde die de leerlingen onder elkaar moeten hebben als over een nieuw gebod. Joh. 13:34, vg. 15:12, 1 Thes. 4:9, 1 Pet. 4:8, 1 Joh. 3:23, 4:21, 2 Joh. 5 Maar Hij bedoelt daarmee niet dat het gebod om elkaar als gelovigen lief te hebben vroeger totaal onbekend was. Want Leviticus 19:18 leert duidelijk het tegendeel en Psalm 133 zingt over het lieflijke dat er in het samenwonen van de broeders ligt.

Maar die liefde die de gelovigen onderling moet verbinden, kreeg in het Nieuwe Testament een ander karakter. Omdat in de dagen van het Oude Testament kerk en natie samenvielen, konden ook de broeder- en de naastenliefde nog niet duidelijk worden onderscheiden. Maar in het Nieuwe Testament werd dat anders. De gemeente werd losgemaakt van het nationale volksbestaan van Israël. Ze werd een zelfstandige gemeenschap en ontving in de Heilige Geest een eigen levensprincipe. Nu kwam er onderscheid tussen de broederlijke liefde en de liefde voor allen. Gal. 6:10, 1 Thes. 3:12, 2 Pet. 1:7 In zoverre kan de broederliefde een nieuw gebod heten. Ze bindt de gelovigen samen tegenover de wereld. Maar voor de rest is er één godsdienst en één morele wet in Oud en Nieuw Testament. Er is verheldering, er is verduidelijking, er is ook een andere uitwerking en toepassing, maar er vindt geen uiterlijke toevoeging, geen mechanische aanvulling plaats. Christus was geen nieuwe wetgever naast en boven Mozes, maar Hij heeft zelf de wet in zijn leven en in zijn sterven vervuld en brengt de wet door zijn Geest tot vervulling in allen die zijn leerlingen zijn.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in