22.5 – We worden geheiligd door het geloof

0
10

Hieruit blijkt ook de betekenis die in de heiliging toekomt aan het geloof. Absoluut niet alleen in de rechtvaardiging, maar evenzeer in de heiliging is het uitsluitend het geloof dat zalig maakt. Want Christus en zijn weldaden kunnen we van onze kant niet anders aannemen en ons eigendom maken dan door het geloof. Als de gerechtigheid en de heiligheid uit de wet waren, zouden we ze beide door het doen van goede werken tot stand moeten brengen. Maar in het evangelie zijn ze een gave van God, die ons in de persoon van Christus geschonken wordt. In Hem is een volheid van genade en waarheid, Joh. 1:17 van wijsheid en kennis, Kol. 2:3 van gerechtigheid en heiligheid. 1 Kor. 1:30 Alle geestelijke zegeningen liggen in Hem besloten. Ef. 1:3 De volheid van de godheid woont in Hem lichamelijk. Kol. 2:9 Deze Christus deelt zichzelf aan ons mee door de Heilige Geest en verenigt zich zo nauw en innig met ons als de wijnstok met de rank, Joh. 15:2 e.v. als het hoofd met het lichaam, Ef. 1:22-23 als de man met de vrouw, Ef. 5:32 als Hij zelf als Middelaar verenigd is met de Vader. Joh. 14:20, 17:21-23 De gelovigen zijn met Hem één geest 1 Kor. 6:17 en één vlees. Ef. 5:30-31 Christus leeft in hen en zij leven in Christus. Gal. 2:20 Christus is alles in hen allen. Kol. 3:11

Als de Christus in ons op deze manier de werkmeester van onze heiligheid is, dan kan van onze kant het werk van de heiliging alleen volbracht worden door het geloof. Want de heiligheid is, net als alle andere weldaden, zo onlosmakelijk verbonden met de persoon van Christus, dat we haar niet anders kunnen ontvangen dan in de gemeenschap met Christus zelf en Hij is van onze kant alleen te verkrijgen en te genieten door een echt geloof. Het is immers door het geloof dat Christus in onze harten woont Ef. 3:17 en dat wij leven in Christus, Gal. 2:20 dat we kinderen van God worden Gal. 3:27 en de belofte van de Geest verkrijgen, Gal. 3:14 dat we de vergeving van de zonden Rom. 4:6 en het eeuwige leven ontvangen. Joh. 3:16 Dat we door het geloof leven, is de keerzijde van dat Christus in ons is. 2 Kor. 13:5, Gal. 2:20 Heel het leven van de christen is dus een leven door het geloof. Zoals de bijbelheiligen in Hebreeën 11 voor onze ogen worden opgevoerd als helden van het geloof, zo worden ook wij vermaand om uit het geloof te leven, Heb. 10:38 om door het geloof te wandelen, 2 Kor. 5:7 om het geloof te laten werken door de liefde, Gal. 5:6 om met het schild van het geloof alle vurige pijlen van de boze uit te blussen Ef. 6:16 en de wereld te overwinnen. 1 Joh. 5:4 En al deze vermaningen komen inhoudelijk overeen met de andere, die aan de gelovigen voorhouden om niet te wandelen volgens het vlees, maar volgens de Geest, Rom. 8:4 e.v. om de oude mens af te leggen en de nieuwe mens aan te doen, Ef. 4:22-24, Kol. 3:10, Rom. 6:4 e.v. om de Heer Christus aan te nemen en in Hem te wandelen, Kol. 2:6, 1 Pet. 3:16 om de Heer Jezus aan te doen en alles te volbrengen in zijn naam, Rom. 13:14, Kol. 3:17 om gesterkt te worden in de Heer en in de sterkte van zijn macht, Ef. 6:10, 2 Tim. 2:1 om op te groeien in de genade en kennis van onze Heer en Zaligmaker. 2 Pet. 3:18 Kortom, de heiliging in evangelische zin is een voortdurende activiteit en oefening van het geloof.

Tegen deze leer van de Schrift hebben velen bezwaar. Ze vinden die eenzijdig en voor het moreel leven gevaarlijk. Soms geven ze nog wel toe dat bij de rechtvaardiging de wet is uitgesloten en het geloof alleen optreedt. Maar als ze de heiliging behandelen, menen ze dat het geloof alleen onvoldoende is en dat de wet met haar geboden en verboden, met haar beloningen en straffen erbij moet komen om met vrucht aan te sporen tot een heilige wandel en tot het doen van goede werken. Hoewel het nu volkomen waar is dat de wet voor de christen regel voor het leven blijft, ontleent het evangelie de vermaningen tot een heilige wandel nooit aan de verschrikkingen van de wet, maar aan de hoge roeping waartoe de gelovigen in Christus geroepen zijn. ‘Wees volmaakt, zoals jullie Vader in de hemelen volmaakt is.’ Mat. 4:48 Jezus is de wijnstok, de leerlingen zijn zijn ranken. Wie in Hem blijven, dragen veel vrucht, want zonder Hem kunnen ze niets doen. Joh. 15:5 De gelovigen zijn met Christus gestorven aan de zonde, maar zijn in Hem voor God levend geworden. Rom. 6:11 Ze zijn niet onder de wet, maar onder de genade en daarom mag de zonde over hen niet heersen. Rom. 6:14 Ze zijn door de wet aan de wet gestorven en behoren Christus toe, opdat ze vruchten zouden dragen voor God. Rom. 7:4, Gal. 2:19 Ze zijn niet in het vlees, maar in de Geest en moeten dus wandelen volgens de Geest. Rom. 8:5 De nacht is voorbijgegaan, de dag is gekomen. De werken van de duisternis moeten dus worden afgelegd en de wapens van het licht moeten worden aangedaan. Rom. 13:12 De lichamen van de gelovigen zijn leden van Christus en tempels van de Heilige Geest. Ze moeten daarom de zonde van de ontucht ontvluchten. 1 Kor. 6:15 e.v. Ze zijn duur gekocht, dus moeten ze God verheerlijken in hun lichaam en geest, die van God zijn. 1 Kor. 6:20 Ze staan in de vrijheid waarmee Christus hen heeft vrijgemaakt en in die Christus heeft niets enige kracht dan het geloof dat werkt door de liefde. Gal. 5:1, 5:6 Van die Christus hebben ze gehoord en door Hem hebben ze geleerd dat ze de oude mens moeten afleggen en de nieuwe mens moeten aandoen, die overeenkomstig het beeld van God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Ef. 4:21 e.v. Als geliefde kinderen moeten ze navolgers van God zijn. Ef. 5:6 Ze moeten wandelen in de liefde, zoals Christus hen heeft liefgehad. Ef. 5:2 Ze zijn licht in de Heer en moeten dus wandelen als kinderen van het licht. Ef. 5:8

Kortom, we zouden alle morele vermaningen in het Nieuwe Testament moeten overschrijven, als we volledig de drangredenen wilden opsommen die de gelovigen moeten aansporen tot een heilige wandel. Maar de aangehaalde woorden zijn voldoende om aan het licht te brengen dat ze allemaal worden ontleend aan het evangelie en niet aan de wet. Of de apostelen zich nu richten tot mannen of vrouwen, ouders of kinderen, heren of knechten, vrouwen of dienstmeisjes, overheden of onderdanen, ze vermanen hen allen in de Heer. Ef. 5:22 e.v., 6:1 e.v., Kol. 3:18 e.v., 1 Pet. 2:13 e.v., 3:1 e.v. Het vaste fundament van God staat en draagt dit zegel: ‘Ieder die de naam van Christus noemt, moet afstand nemen van ongerechtigheid.’ 2 Tim. 2:19

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in