22.4 – Onze heiliging is ook ons werk

0
16

Op grond van dit werk van de heiliging, dat God door de Geest van Christus in de gemeente tot stand brengt, worden de gelovigen in de Heilige Schrift telkens bij de naam heiligen genoemd. Israël heette al zo in de oude dagen. Ex. 19:6 Het was van de volken afgezonderd, opdat het het eigendom van Heer zou zijn Lev. 20:26 en langs zijn wegen zou wandelen. Ex. 19:5 En in de toekomst, als God zijn nieuwe verbond zou oprichten, zou het met nog meer recht en in nog veel diepere zin het heilige volk, de verlosten van de Heer heten. Jes. 62:12, Joël 3:17, Ob. 17, Zach. 8:3, 14:20 Als in de dagen van het Nieuwe Testament de Hogepriester zich voor zijn volk geheiligd heeft, opdat ook zij geheiligd zouden worden in de waarheid, Joh. 17:19 ontvangen de gelovigen dan ook meteen de naam heiligen. Hand. 9:13, 9:32, 9:41, 26:10, Rom. 1:7, 1 Kor. 1:2 enz. Er ligt daarin niet opgesloten dat ze in morele zin van alle zonden vrij en boven alle zonden verheven zijn. Er wordt mee uitgedrukt dat de nieuwtestamentische gemeente nu in de plaats is gekomen van het oude Israël en het eigendom van de Heer is geworden, 2 Kor. 6:16, Gal. 6:16, 1 Pet. 2:5 omdat ze in Christus geheiligd en een tempel van de Heilige Geest is. Joh. 17:19, 1 Kor. 1:30, 3:16, 6:11, 6:19

Maar deze heiligheid, die in Christus aan de gemeente geschonken en aanvankelijk door de Heilige Geest aan haar is meegedeeld, legt de gelovigen een dure verplichting op. De heiliging is een werk van God, maar ze is daarom bestemd om een werk te worden waaraan de gelovigen zelf meewerken in de kracht van God. In het Oude Testament wordt nu eens gezegd dat de Heer zelf zijn volk heiligt Ex. 31:13, Lev. 20:8, 21:8 enz. en dan weer dat het volk zelf zich moet heiligen. Lev. 11:44, 20:7, Num. 11:18 enz. Soms heet het dat de Heer het hart besnijdt Deut. 30:6 en een andere keer wordt Israël zelf geroepen om zich de voorhuid van het hart te besnijden. Deut. 10:16, Jer. 4:4 De bekering is nu eens een werk van God Jer. 31:18, Kl. 5:21 en dan weer een plicht van de mens. Jer. 3:12-13 enz.

En zo komt ook in het Nieuwe Testament de heiliging voor als een gave van God in Christus en als een werk van de Heilige Geest, waardoor de gelovigen geheiligd zijn Joh. 17:17, 17:19, 1 Kor. 1:2, 1 Thes. 5:23 enz. en toch worden ze herhaaldelijk vermaand om volmaakt te zijn zoals hun Vader in de hemelen volmaakt is, Mat. 5:48 om goede werken voort te brengen die de Vader verheerlijken, Mat. 5:16, Joh. 15:8 om hun leden in dienst te stellen van de gerechtigheid tot heiliging, Rom. 6:19 om heilig te worden in al hun wandel, 1 Pet. 1:15, 2 Pet. 3:11 om de heiliging na te jagen en te voltooien in de vrees voor God, 2 Kor. 7:1, 1 Thes. 3:13, 4:3 want zonder de heiliging zal niemand de Heer zien. Heb. 12:14

Het een is absoluut niet met het ander in strijd. De arbeid van de gelovigen aan hun eigen heiliging is juist alleen mogelijk omdat het een werk van God is, dat Hij in hen volbrengt. De genade doet immers de natuur niet teniet, maar herstelt die. Terwijl de mens door de zonde de zin en de kracht mist om in de wegen van de Heer te wandelen, ontvangt Hij in de herschepping opnieuw de gezindheid en de bekwaamheid, in principe tenminste, om niet volgens sommige, maar volgens alle geboden van God oprecht te leven. Als God met de krachtige werking van zijn Geest, die de wedergeboorte werkt, doordringt in de binnenste delen van de mens, dan opent Hij het gesloten hart, maakt Hij het harde zacht, besnijdt Hij het onbesnedene. Hij vernieuwt de wil en maakt die wil van dood levend, van slecht goed, van onwillig gewillig, van weerspanning gehoorzaam. Hij brengt die wil zover en geeft die zoveel kracht dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen.

Als de gereformeerde kerk zich zo in haar belijdenis (Dordtse Leerregels III/IV.11) uitspreekt, dan staat ze daarmee op de basis van de Heilige Schrift en vindt ze vooral steun in het diepzinnige woord van de apostel Paulus: ‘Werk aan jullie eigen zaligheid met vrees en beven, want het is God die zowel het willen als het werken in jullie werkt, volgens zijn welbehagen.’ Fil. 2:12-13 Zoals in de rechtvaardiging de vergeving van de zonden, die volkomen in Christus gereed ligt, van onze kant alleen ontvangen en genoten kan worden door een levend en actief geloof, zo brengt God de heiliging in ons slechts door ons tot stand. Hij vernietigt onze persoonlijkheid niet, maar richt die op. Hij doodt ons verstand en onze wil en onze genegenheden niet, maar maakt ze juist levend, aangezien ze dood waren, en zet ze aan het werk. Hij maakt ons zijn bondgenoten en medearbeiders.

Maar deze heiliging van de gelovigen moet dan goed worden begrepen. Ze mag geen wettische heiliging worden. Ze is een evangelische heiliging en dat moet blijven. Ze houdt dus niet in dat de gelovigen zich gaan heiligen door een heiligheid die ze zelf nieuw en voor het eerst tot stand brengen, of die wel bestaat, maar die ze zich door hun krachtsinspanning en goede werken moeten toe-eigenen. De heiligheid die door God in het evangelie wordt geopenbaard, ligt niet alleen volkomen in Christus gereed, maar wordt ook door zijn Geest in onze harten toegepast en uitgewerkt. Paulus zegt het zo mooi in Efeziërs: ‘Wij zijn Gods maaksel, geschapen in Christus Jezus voor goede werken, die God heeft voorbereid, opdat wij erin zouden wandelen.’ Ef. 2:10 Zoals de eerste schepping tot stand kwam door het Woord, zo ontvangt de herschepping haar bestaan in de gemeenschap met Christus. De gelovigen worden gekruisigd, sterven, worden begraven en ze worden ook opgewekt en tot een nieuw leven herboren in de gemeenschap met Christus.

En die herschepping heeft een bepaald doel. Ze vindt haar bestemming in de goede werken, die de gelovigen voortbrengen. Het is God niet om de boom te doen, maar om de vruchten en in die vruchten om zijn eigen verheerlijking. Maar die goede werken worden door de gelovigen niet zelfstandig en nieuw tevoorschijn gebracht. Ze liggen voor hen allen en voor ieder van hen afzonderlijk gereed in het besluit van Gods raad. Ze zijn volbracht en voor hen verworven door Christus, die in hun plaats alle gerechtigheid en heel de wet heeft vervuld. En ze worden in hen uitgewerkt door de Heilige Geest, die alles uit Christus neemt en aan ieder uitdeelt volgens zijn wil. Heel de heiligheid en alle goede werken van de gemeente, van alle gelovigen samen en van ieder afzonderlijk, ze ontstaan niet pas door de gelovigen, maar ze bestaan al lang vóór hen in het welbehagen van de Vader, in het werk van de Zoon en in de toepassing door de Heilige Geest. Vandaar dat ook bij de heiliging alle roem is uitgesloten. God komt dus nooit bij ons in de schuld te staan en hoeft ons nooit dankbaar te zijn als wij goede werken doen. Nee omgekeerd, wij zijn het God verschuldigd om Hem dankbaar te zijn voor de goede werken die we doen (Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 24).

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in