22.3 – Onze heiliging is Gods werk

0
28

Om de heiliging van de gelovigen goed te verstaan, moeten we helder inzien dat Christus in dezelfde zin onze heiligheid is als waarin Hij onze gerechtigheid is. Hij is een volkomen en voldoende Zaligmaker. Hij volbrengt zijn werk niet half, maar maakt ons werkelijk en volkomen zalig. En Hij rust niet voordat Hij ons volledig heeft laten delen in het eeuwige leven en de hemelse heerlijkheid. Hij brengt ons dus door zijn gerechtigheid niet alleen terug in de staat van rechtvaardigen die in Gods oordeel vrijuit gaan, om het nu verder aan onszelf over te laten dat we ons door het doen van goede werken volgens Gods beeld hervormen en het eeuwige leven verdienen. Nee, Christus heeft alles voor ons volbracht. Hij droeg voor ons de schuld en de straf van de zonde en bovendien heeft Hij de wet voor ons in acht genomen en dat leven verworven. Zijn gehoorzaamheid was ‘passief’ en ‘actief’ tegelijk.

Daarvan gaf zijn opstanding het bewijs. Immers, God heeft zijn ziel niet verlaten in de hel (dat is niet de plaats van de veroordeelden, want de ziel van Christus was na zijn dood in het paradijs, Luk. 23:43 maar het graf of het rijk van de doden, waartoe Christus ook behoorde zolang Hij verkeerde in de staat van de dood) en zijn Heilige wat het lichaam betreft niet overgegeven aan de ontbinding. Hij heeft Hem de wegen van het leven bekendgemaakt en Hem door zijn aangezicht met vreugde vervuld. Hand. 2:27-28, 13:35-37 Overeenkomstig de Geest van de heiligheid die in Hem woonde, werd Hij door de opstanding van de doden met kracht door God aangesteld en benoemd als zijn Zoon, Rom. 1:4 als een Vorst en Zaligmaker, om Israël bekering en vergeving van de zonden te geven, Hand. 5:31 als een Vorst die het eeuwige leven verworven heeft en nu aan de zijnen uitdeelt. Hand. 3:15

Maar deze heiligheid, die Christus voor zijn gemeente verworven heeft, blijft niet buiten ons, maar wordt ons werkelijk meegedeeld. In de rechtvaardiging worden we vrijgesproken van schuld en straf op grond van een gerechtigheid die buiten ons is, in Christus Jezus, en die ons door Gods genade wordt toegerekend en van onze kant wordt aangenomen in het geloof. In de heiliging echter wordt wel degelijk de heiligheid van Christus in ons uitgestort door de Heilige Geest. Als Rome dus over een ingestorte genade spreekt, dan hebben we daar op zichzelf geen bezwaar tegen. We verzetten ons er alleen tegen dat deze ingestorte genade als een onderdeel van de gerechtigheid wordt beschouwd, op grond waarvan we door God zouden worden vrijgesproken. Want dan worden rechtvaardiging en heiliging, bevrijding van de schuld en wegneming van de smet met elkaar verward. Dan wordt Christus van de volmaaktheid van zijn geleverde gerechtigheid en de gelovige ziel van haar troost en zekerheid beroofd. Er is echter wel degelijk een ingestorte genade, een Christus in ons evengoed als een Christus voor ons, een vernieuwing volgens het evenbeeld van God even zeker als een overgang in de staat van de rechtvaardigen, een verandering in onze morele toestand niet minder dan in onze verhouding tot God.

Zelfs moet deze heiliging niet minder beslist en krachtig gehandhaafd worden dan de rechtvaardiging. Er zijn altijd mensen geweest die de vergeving van de zonden als de ene, grote weldaad van Christus hebben beschouwd en de innerlijke vernieuwing van de mens volgens Gods beeld hebben ontkend of in elk geval verwaarloosd en in de schaduw hebben gesteld. Zij menen dat als de mens gerechtvaardigd is en zich daarvan in het geloof bewust is, er verder niets met hem hoeft te gebeuren. Door het bewustzijn van de vergeving van de zonden is hij al een ander mens geworden. Rechtvaardiging en wedergeboorte zijn twee namen voor dezelfde zaak.

Nu is het volkomen waar dat de christen die er met een waar geloof op vertrouwt dat hem al zijn zonden, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus vergeven zijn, door dit besef inderdaad een ander mens wordt. Hij voelt zich van alle schuld bevrijd, hij heeft, doordat hij door geloof gerechtvaardigd is, vrede bij God. Hij staat in de vrijheid waarmee Christus hem heeft vrijgemaakt en hij kan met David jubelen: ‘Gelukkig is hij wiens overtreding is vergeven, wiens zonde bedekt is. Gelukkig is de mens wie de Heer de ongerechtigheid niet aanrekent!’ Zo’n verandering kan zelfs in zekere zin een wedergeboorte heten, een vernieuwing van het bewustzijn.

Maar als daaruit nu wordt afgeleid dat rechtvaardiging en wedergeboorte volkomen hetzelfde zijn, dan bestaat er voor deze gevolgtrekking geen grond en komt men ook zeer beslist in strijd met het getuigenis van de Heilige Schrift. Immers, het echte, zaligmakend geloof, dat de gerechtigheid van Christus aanneemt en zich bewust wordt van de vergeving van de zonden, komt niet op uit de natuurlijke mens. Het is een vrucht van de wedergeboorte en veronderstelt dus al een geestelijke verandering die door de Heilige Geest in de mens heeft plaatsgevonden. En de hartelijke vreugde en vrede die de gelovige door de zekerheid van de vergeving van zijn zonden geniet, zijn eigenschappen van de geestelijke mens, die in de gemeenschap met Christus uit de dood van de zonde is opgestaan.

Verder: er is verschil tussen de staat waarin iemand verkeert en de toestand waarin hij zich bevindt. Beide lopen zo ver uiteen dat soms een onschuldige aangeklaagd en veroordeeld wordt en een schuldige door de rechter wordt vrijgesproken. Met iemands staat is daarom zijn toestand nog niet veranderd en evenmin omgekeerd. Dat geldt op natuurlijk, maar ook op geestelijk gebied. Zonde is niet alleen schuld, maar ook smet. Van de eerste worden we bevrijd in de rechtvaardiging, van de tweede in de heiliging. De volkomen zaligheid bestaat niet alleen uit kennis en gerechtigheid, maar ook uit heiligheid en verlossing. En daarom leverde Christus beide: vergeving van de zonden en eeuwig leven.

En wat alles afdoet, de Schrift onderscheidt rechtvaardiging en wedergeboorte zo duidelijk mogelijk. De belofte in het Oude Testament hield in dat de Heer in het nieuwe verbond de ongerechtigheden van zijn volk zou vergeven, maar ook dat Hij een nieuw hart zou schenken en daarin zijn wet zou schrijven. Jer. 31:33-34, Ezech. 36:25-26 Hij zou zijn Geest in hun binnenste geven en maken dat ze in zijn bepalingen zouden wandelen en zijn verordeningen zouden bewaren en doen. Ezech. 36:27 Om die belofte te vervullen heeft Christus niet alleen zijn ziel gegeven als een losprijs voor velen, maar ook na zijn verhoging aan de rechterhand van de Vader de Heilige Geest gezonden, opdat Hij in de gemeente zou wonen en werken. En wat Hij werkt, hebben we al eerder gezien (blz. e.v.). In en door de Geest deelt Christus zichzelf en al zijn weldaden aan de gemeente uit.

Daarom gaat Paulus, nadat in zijn brief aan de Romeinen eerst de rechtvaardiging heeft behandeld, in hoofdstuk 6 over naar de heiliging. Net als later waren er immers in de dagen van de apostel al mensen die van de leer van de vrije rechtvaardiging schade verwachtten voor het moreel leven. Ze vreesden dat men door zo’n belijdenis de zonde zou gaan doen, opdat het goede eruit zou voortkomen en de genade erdoor zou toenemen. Rom. 3:8, 6:1 Paulus weerlegt deze beschuldiging en zegt dat het onmogelijk is dat zij die voor de zonde gestorven zijn, er nog in zouden leven. Rom. 6:2

Hij bewijst dit hiermee: de gelovigen, die door hun geloof de vergeving van de zonden en de vrede bij God hebben ontvangen, zijn ook, zoals uit hun doop blijkt, in de dood van Christus begraven en met Hem tot een nieuw leven opgestaan. Rom. 6:3-11 Gelovigen zijn bij Paulus altijd mensen die niet alleen Gods gerechtigheid in Christus hebben aangenomen voor vergeving van hun zonden, maar die ook persoonlijk in de gemeenschap met Christus gestorven en opgewekt zijn. Daarom zijn ze voor de zonde dood en voor God levend. Gal. 2:20, 3:27, Kol. 2:12 De dood van Christus heeft namelijk niet alleen rechtvaardigende, maar ook heiligende en levendmakende kracht. 2 Kor. 5:15 En het geloof dat van de echte stempel is, neemt Christus niet alleen aan als gerechtigheid, maar ook als heiligheid. Het een is zelfs zonder het ander niet mogelijk. Want Christus kan niet gedeeld worden en zijn weldaden kunnen niet worden losgemaakt van zijn persoon. Hij is tegelijk onze wijsheid en onze gerechtigheid, onze heiligheid en verlossing. 1 Kor. 1:30 Zo is Hij ons van God geworden en zo wordt Hij ons door God geschonken.

De heiligheid waar wij deel aan moeten krijgen, ligt voor ons dus volkomen in Christus gereed. Er zijn veel christenen die daar, in elk geval in de praktijk van het leven, anders over denken. Zij erkennen dat ze gerechtvaardigd zijn door de gerechtigheid die Christus tot stand heeft gebracht. Maar ze denken of doen alsof ze geheiligd moesten worden door een heiligheid die ze zelf moesten uitwerken. Als dat het geval was, zouden we, in strijd met het apostolisch getuigenis, Rom. 6:14, Gal. 4:31, 5:1, 5:13 niet onder de genade leven en in de vrijheid staan, maar nog altijd onder de wet verkeren. De evangelische heiliging verschilt echter evenzeer van de wettische heiliging als Gods gerechtigheid, die in het evangelie geopenbaard wordt, niet in inhoud, maar in wijze van mededeling, verschilt van de gerechtigheid die in de wet werd geëist. De evangelische heiliging houdt in dat God ons in Christus, met de gerechtigheid, ook de volkomen heiligheid schenkt en die ons innerlijk meedeelt door de vernieuwende werking van de Heilige Geest, waardoor we opnieuw geboren worden.

De heiliging is dus Gods werk, een werk van zijn gerechtigheid en tegelijk van zijn genade. Hij rekent ons eerst Christus met al zijn weldaden toe en daarna deelt Hij Hem aan ons mee met heel de volheid die in Hem is. Hij is het immers die de harten besnijdt, Deut. 30:6 die het stenen hart wegneemt en een hart van vlees schenkt, Ezech. 12:19 die de Geest over hen uitstort, Joël 2:28 een nieuwe geest in hun binnenste geeft, Ezech. 12:19, 36:26 die de wet in hun hart schrijft, hen in zijn wegen laat wandelen en zo maakt dat ze zijn volk zijn. Jer. 31:33, 32:38, Ezech. 36:27-28 Zo mogelijk nog sterker heet het in het Nieuwe Testament dat de gelovigen Gods maaksel zijn, geschapen in Christus Jezus, Ef. 2:10 een nieuw schepsel, 2 Kor. 5:17, Gal. 6:15 Gods werk, Rom. 14:20 Gods akker en bouwwerk. 1 Kor. 3:9, Ef. 2:20, Kol. 2:7, 1 Pet. 2:5 Het is alles uit God. 2 Kor. 5:18 Toen ze met Christus gestorven en opgewekt zijn, zijn ze ook in Hem schoongewassen en geheiligd 1 Kor. 1:2, 6:11, Tit. 3:5 en ze worden voortdurend geheiligd, Joh. 17:17, 2 Kor. 3:18, 1 Thes. 5:23, Ef. 5:26, Tit. 2:14, Heb. 13:20-21 totdat ze volledig gelijkvormig zijn aan het beeld van de Zoon. Rom. 8:28, 1 Kor. 15:49, Fil. 3:21 De keten van het heil is onverbrekelijk, omdat die van begin tot eind Gods werk is. Hen die Hij gekend, geroepen en gerechtvaardigd heeft, die verheerlijkt Hij ook. Rom. 8:30

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in