De ernst van de strijd doet al van tevoren vermoeden dat het lang zal duren voor door de nieuwe mens de overwinning is behaald. Toch zijn vele christenen van mening dat de gelovigen al op aarde de volmaaktheid bereiken en elke zondige daad en neiging te boven kunnen komen. De pelagianen leerden al zo. Rome liet zich op het concilie van Trente in dezelfde geest uit en tal van protestantse kringen zijn dezelfde opvatting toegedaan. Men beroept zich er voornamelijk op dat de Heilige Schrift telkens in zulke heerlijke woorden over de christenstand spreekt, bv. 1 Pet. 2:9-10, 2 Pet. 1:4, 1 Joh. 2:20 dat met name Paulus na zijn bekering volledig zeker is van van zijn zaligheid en zijn zondig verleden alleen nog in de herinnering bewaart, dat bijvoorbeeld de vermaningen tot een heilige, onberispelijke wandel zo absoluut mogelijk zijn Mat. 5:48 en de bereikbaarheid van de volmaaktheid veronderstellen Fil. 2:5, 1 Thes. 2:10, 3:13 en dat Gods genade, die door het gebed verkregen kan worden, tot alle dingen in staat is. Joh. 14:13-14, Ef. 3:20, 2 Kor. 12:10, Fil. 4:13 We zouden, zo wordt eraan toegevoegd, de almacht en de rijkdom van Gods liefde tekortdoen, als we de morele volmaaktheid in dit leven voor de gelovigen onbereikbaar zouden achtten en we zouden tegelijk de gelovigen een sterke prikkel ontnemen om met inspanning van alle kracht naar die volmaaktheid te streven.

Nu bestaat er inderdaad geen twijfel over dat de Heilige Schrift over het voorrecht en de stand van Gods volk op de meest treffende manier spreekt. Ze noemt Israël in het Oude Testament een priesterlijk koninkrijk, dat God uit alle volken van de aarde heeft uitverkoren als zijn eigendom, een object van zijn liefde, zijn erfdeel en eer, zijn zoon en dienaar, zijn bruid, die Hij versierde en volmaakte met de heerlijkheid die Hij op haar heeft gelegd. Ex. 19:5-6, 29:43, Deut. 7:6 e.v., 32:6 e.v., Jes. 41:8 e.v., Ezech. 16:14 enz. En de gelovigen in het Nieuwe Testament heten het zout voor de aarde, Mat. 5:13 het licht voor wereld, Mat. 5:14 kinderen van God, die uit God geboren en door Hem aangenomen zijn, Joh. 1:13, Gal. 4:5 uitverkorenen, geroepenen, heiligen en geheiligden, 1 Kor. 1:2 een uitverkoren geslacht en koninklijk priesterschap, 1 Pet. 2:9-10 delend in de goddelijke natuur, 2 Pet. 1:4 gezalfd met de Heilige Geest, 1 Joh. 2:20 door Christus koningen en priesters gemaakt, Op. 1:5 erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus. Rom. 8:17 Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God nu in de dagen van het Nieuwe Testament gereedgemaakt voor degenen die Hem liefhebben. 1 Kor. 2:9
Wie de leer van de Schrift over zonde en genade verwerpt, kan hierin slechts schromelijke overdrijving zien. Een radicale verandering, zoals die in rechtvaardiging en wedergeboorte plaatsvindt, is dan niet nodig en ook niet mogelijk. Maar voor de Schrift is de verandering die de mens in het geloof en de bekering ondergaat, een overgang van duisternis naar licht, van dood naar leven, van slavernij naar vrijheid, van leugen naar waarheid, van zonde naar gerechtigheid, van de verwachting van Gods toorn naar de hoop op zijn heerlijkheid. En de gelovigen die in Oud en Nieuw Testament voor ons optreden en zich van deze verandering bewust zijn, roemen in de God van hun heil en verheugen zich in zijn gemeenschap. Hoe ver staan wij in deze geloofsblijdschap achter op hen!
Verder houdt de Schrift de gelovigen steeds het hoogste morele ideaal voor ogen. Men dingt daar tegenwoordig van alle kanten op af. Het moreel leven dat het christendom wil, heet eenzijdig, overgeestelijk, haast uitsluitend gericht op de hemel, afkerig van de behartiging van aardse belangen, vijandig aan de cultuur. Het zou de armen en ellendigen troosten met een wissel op de eeuwigheid, maar onverschillig zijn als het gaat om de verbetering van hun aardse lot, rijk misschien aan passieve deugden, aan voorschriften over onderwerping, volharding, geduld, maar arm aan actieve deugden, die in staat stellen om de wereld te veroveren en te hervormen. Velen streven dan ook naar een andere, betere, hogere moraal, naar een moraal die toewijding aan de dienst aan de mensheid als de hoogste plicht voorschrijft en haar gezichtskring tot het aardse leven beperkt.
De behartiging van de aardse belangen is op zichzelf echter zo weinig met de christelijke moraal in strijd dat ze juist op de schepping van de mens volgens Gods beeld gebaseerd is en daarin is gegarandeerd. De mens was en is nog in zekere zin beelddrager van God en daarom geroepen om de aarde te onderwerpen en om heerschappij te hebben over de vissen van de zee, de vogels van de hemel en alle dieren die op de aarde kruipen. Gen. 1:26, 1:28, Ps. 8 Er is geen boek dat vrijer staat tegenover heel de natuur dan de Heilige Schrift. Het heidendom slingert altijd heen en weer tussen overmoedig misbruik van de wereld en slaafse bijgelovige vrees voor haar geheimzinnige macht. Maar Mozes en de profeten, Christus en de apostelen staan volkomen vrij tegenover de wereld, omdat ze erboven verheven zijn door de gemeenschap met God. En weliswaar dringt de Schrift erop aan om vóór alle dingen het koninkrijk van de hemelen te zoeken. Wel moesten de christenen in de eerste tijd, klein kuddetje als ze waren, zich uit vele kringen terugtrekken en zich van vele dingen onthouden, omdat in de toenmalige wereld haast alles doortrokken was van de heidense geest. Maar het christendom sloot in principe toch alle elementen in zich die niet alleen de vrijheid, maar ook het recht en de roeping gaven om de wereld te veroveren en de aarde te onderwerpen.
Immers, de christelijke moraal is geen andere dan die de tien geboden kort en zakelijk bevatten en die verder door heel de Schrift heen toegelicht en uitgelegd wordt. In die geboden staat de liefde voor God op de voorgrond, maar de liefde voor de naaste is het tweede gebod, dat daaraan gelijk is. In deze liefde voor de naaste ligt – als die maar goed verstaan wordt en niet in boeddhistische, passieve zin, maar in haar christelijk, handelend karakter wordt opgevat – de plicht van de zending, van de hervorming en van de cultuur opgesloten. De zending brengt de godsdienstige en morele goederen die het christendom bezit aan alle mensen en volken die die goederen nog missen. De hervorming, die niet tot één enkele periode in de kerk van Christus of tot één ogenblik in het leven van de christen beperkt is, maar altijd door moet gaan, is de voortgaande vernieuwing van hart en leven, van gezin en maatschappij volgens de eis van de wil van de Heer. En de cultuur is de onderwerping van de aarde aan de hand van de mens, de heerschappij van de geest over de materie, van de rede over de natuur.
Het koninkrijk van de hemelen, dat eerst moet worden gezocht, brengt alle andere dingen mee. Mat. 6:33 De godsvrucht is voor alle dingen nuttig, want het heeft de belofte van het tegenwoordige en van het toekomstige leven. 1 Tim. 4:8 Geen ding is onrein in zichzelf, want elk schepsel van God is goed en er is niets verwerpelijk als het met dankzegging wordt aangenomen, want het wordt geheiligd door het woord van God en door het gebed. Rom. 14:14, 1 Tim. 4:4 Het christendom, dat in de schepping van de mens volgens Gods beeld de basis vindt en in de opstanding van Christus het herstel leert van alle cultuur, wekt zijn trouwe belijders op om alles te bedenken wat waar is, alles wat eerzaam is, alles wat rechtvaardig is, alles wat rein is, alles wat lieflijk is, alles wat welluidend is en wat er verder nog voor deugd en iets prijzenswaardigs is. Fil. 4:8
Er is geen hogere moraal, evenmin als een hogere religie, denkbaar dan de moraal die ons in het evangelie gepredikt wordt. Je kunt wel een andere zoeken, maar dwaalt dan meteen af op zijwegen. De tijd waarin we leven, biedt ons daarvoor de sterkste bewijzen. De moraal van de Schrift wordt verworpen, maar wat ervoor in de plaats komt, komt elk ogenblik in strijd met de eenvoudigste regels van het morele leven.
Al meteen begint men uit de moraal alle geboden te verwijderen die betrekking hebben op de liefde voor God. Van liefde voor God, voor zijn naam, zijn waarheid, zijn dienst is haast geen sprake meer: hoe zou men God kunnen liefhebben, wanneer men zijn kenbaarheid, zijn openbaring, zelfs zijn bestaan in twijfel trekt en bestrijdt? Maar daardoor wordt de bodem weggegraven voor de geboden van de tweede tafel. Want als er geen God is die mij tot de liefde voor de naaste verplicht, welke basis kan er dan voor zo’n liefde bestaan? De voorstanders van een van de godsdienst onafhankelijke moraal zijn dan ook hopeloos verdeeld over de vraag uit welk principe de liefde voor de medemens kan en moet worden afgeleid. De een probeert die te bouwen op het eigenbelang, een ander op het geluk, een derde op het medelijden, een vierde op het geweten. Maar allen leveren het bewijs dat er zonder goddelijke autoriteit geen sprake kan zijn van een plicht die mij in het geweten bindt.
Als gevolg daarvan raakt men ook verlegen met elk gebod waarin de liefde voor de naaste verder wordt uitgewerkt en omschreven. Algemeen wordt er gezegd dat de mensen, hoewel ze in de godsdienst uiteengaan, toch op het gebied van de moraal dicht bij elkaar blijven. Daar mag iets van waar zijn, omdat de natuur gelukkig sterker is dan de leer en het werk van de wet in ieders hart geschreven staat. Maar voor het overige leert de werkelijkheid toch iets anders. Er is op de tweede tafel van Gods wet geen enkel gebod dat vandaag de dag onaangetast blijft. Het gezag van vader en moeder en van allen die over ons gesteld zijn, wordt openlijk bestreden en verworpen. Doodslag wordt steeds minder ernstig opgenomen, bij zelfmoord dikwijls vergoelijkt, bij de ontvangenis van het leven niet zelden verdedigd. Het huwelijk wordt als een contract beschouwd, dat voor een willekeurige tijd wordt aangegaan, en overspel en ontucht vinden bij velen bescherming en voorspraak. Eigendom is op de lippen van velen een andere naam voor diefstal. Waarheid wordt dienstbaar gemaakt aan de bruikbaarheid, afhankelijk gedacht van ontwikkeling en van de leugen slechts onderscheiden in tijd en plaats, in vorm en graad. En wat de begeerlijkheid betreft – die viert haar triomf in de mammonistische geest van deze eeuw.
Tegenover al deze bastaardvormen van moraal handhaaft de Schrift het morele ideaal in onverkorte en onverzwakte zin. Ze gooit het nooit op een akkoordje met de heiligheid van God en met de heiligheid van zijn wet, maar plaatst die in al haar majesteit voor de gewetens van de mensen. Wat Jezus zijn leerlingen toeriep: ‘Wees volmaakt zoals jullie Vader in de hemelen,’ dat wordt met andere woorden door alle apostelen in hun vermaningen tot de gelovigen herhaald. De zonde heeft nooit recht van bestaan, vooral niet in hen die naar de naam van Christus zijn genoemd. Van de eis van de morele wet mag nooit iets afgedaan worden, vooral niet door hen die met Christus aan de zonde zijn gestorven en tot een nieuw leven zijn opgestaan. Als dan toch volgens Gods bestel de oude mens in de gelovigen eerst langzamerhand afsterft en de nieuwe mens eerst langzamerhand opgroeit en in het hiernamaals pas de volmaaktheid bereikt, dan wijst dat op een grote lankmoedigheid en verdraagzaamheid van God, die Hij kan uitoefenen omdat Christus de zonde van de gemeente met zijn gerechtigheid en heiligheid bedekt en garandeert dat zij volmaakt zal worden.
Terwijl de morele wet, die de regel voor het leven van de gelovigen is, met niets anders wil of kan volstaan dan met een volmaakte liefde voor God en de naaste, is het toch niet minder duidelijk dat volgens de Schrift geen enkele gelovige ooit aan die volmaaktheid in dit leven beantwoord heeft of ook beantwoorden kan. De bijbelheiligen zijn allemaal mensen die in veel dingen struikelen en soms nog, als een David en Petrus, in zware zonden vallen, maar die daarvan dan ook weer in diepe ootmoed belijdenis doen. Wie van hen je ook beluistert, nooit hoor je van hen de betuiging die soms van de lippen van christenen vernomen is: ‘Ik doe en ik heb geen zonde meer.’ Integendeel, Abraham, Gen. 12:12 Izak, Gen. 26:5 Jakob, Gen. 26:35 Mozes, Num. 20:7-12, Ps. 106:33 David, Ps. 51 Salomo, 1 Kon. 8:46 Jesaja, Jes. 6:5 Daniël Dan. 9:4 enzovoort, allemaal maken ze zich schuldig aan overtredingen en belijden ze hun zonden en afdwalingen.
Bij de apostel Paulus is het niet anders. Hij is met Christus gekruisigd en wandelt nu in de vernieuwing door de Geest, hij staat rechtvaardig voor God en is volledig zeker van zijn zaligheid. Hij beroemt zich, op menselijke wijze sprekend, op zijn apostolische arbeid en is zich ervan bewust dat hij zijn ambt trouw vervult heeft. Rom. 15:17 e.v., 1 Kor. 4:3, 9:15, 15:31, 2 Kor. 1:12, 6:3 e.v., 11:5 e.v., Fil. 2:16 e.v., 3:4 e.v., 1 Thes. 2:10 e.v. Maar behalve dat hij dat alles aan Gods genade toeschrijft, 1 Kor. 15:10, 2 Kor. 12:9, Fil. 4:3 belijdt hij dat in zijn vlees niets goeds woont, Rom. 7:18 dat het vlees steeds begeert tegen de Geest, Gal. 5:17 dat bij hem willen en doen voortdurend met elkaar in strijd zijn Rom. 7:7-26 en dat hij de volmaaktheid wel najaagt, maar nog niet heeft verkregen. Fil. 3:12
Hetzelfde getuigen Mozes en de profeten van het volk van Israël, Christus van zijn leerlingen, de apostelen van de gemeenten die aan hun zorg zijn toevertrouwd. Jezus roept zijn leerlingen tot volmaaktheid Mat. 5:48 en legt hun toch het gebed op de lippen om vergeving van hun schulden. Mat. 6:12 De christenen in Rome zijn met Christus opgewekt om in een nieuw leven te wandelen Rom. 6:3 e.v. en worden toch vermaand om hun leden in dienst te stellen van de gerechtigheid tot heiliging. Rom. 6:19 De Korinthiërs waren gewassen, geheiligd, gerechtvaardigd in de naam van de Heer Jezus en door de Geest van God 1 Kor. 6:11 en waren toch nog vleselijk. 1 Kor. 3:1-4 De Galaten hadden de Geest ontvangen door de prediking van het geloof Gal. 3:2 en lieten zich toch verleiden tot ongehoorzaamheid aan de waarheid. Gal. 3:1 In de Filippenzen was het goede werk wel begonnen, maar niet voltooid. Fil. 1:6 In alle gemeenten komen toestanden, dwalingen en ondeugden voor die niet met het christelijk leven in overeenstemming zijn. En de apostelen zijn er allen zelf van overtuigd dat zonde de gelovigen blijft aankleven, zolang ze in dit leven zijn. We struikelen allemaal in vele dingen. Jak. 3:2 Als we zeggen dat we geen zonde hebben, dan misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. 1 Joh. 1:8
Echter, al is de volmaaktheid in dit leven niet bereikbaar, daarom zijn de vermaningen tot een heilige wandel nog niet nutteloos en zonder ernst. Zij die beweren dat de gelovigen volmaakt kunnen worden, brengen wel als bezwaar in dat vermaningen die niet of in elk geval niet volledig kunnen worden opgevolgd, hun kracht verliezen en bij de gelovigen de ijver laten verslappen. Maar ze maken zich daarbij schuldig aan een valse redenering. Uit het moeten volgt nog niet het kunnen. Wie een som geld moet betalen, is daartoe nog niet altijd in staat en blijft er, in geval van onmacht, toch toe verplicht. En zo kan de morele wet nooit haar eis laten varen, ook al is de mens vanwege de zonde onbekwaam om die eis te vervullen. Omgekeerd kan met veel meer recht worden beweerd dat wie leert dat de gelovigen volmaakt kunnen worden, altijd moet komen tot een verlaging van het morele ideaal en tot een minder ernstige opvatting van de zonde.
Immers, wie bij de zonde niet alleen aan uiterlijke zondige daden denkt, maar daaronder ook alle zondige gedachten en neigingen opneemt, wie durft in ernst beweren dat de gelovigen daar in dit leven volledig van bevrijd kunnen worden? Dat mensen volmaakt kunnen worden, kun je alleen leren door met de zondige aard van de menselijke natuur geen rekening te houden, zondige gedachten en neigingen niet als zonde te beschouwen en dus aan de absolute heiligheid van de wet tekort te doen. In het avondmaalsformulier van de gereformeerde kerken wordt gezegd dat we er vast van verzekerd mogen zijn dat geen zonde of zwakheid die nog tegen onze wil in ons is overgebleven, kan verhinderen dat God ons in genade zou aannemen. En er is veel strijd over gevoerd of de opnieuw geborenen nog in zulke zonden vallen kunnen die niet maar uit zwakheid gebeuren, maar een opzettelijk karakter dragen en daarom slechtheidszonden moeten heten. Twee dingen staan echter ongetwijfeld vast. In de eerste plaats dat in degenen die werkelijk opnieuw geboren zijn, niet alleen het geweten maar ook het nieuwe leven, de gezindheid en de wil in zwakkere of sterkere mate tegen die zonden in verzet komt. En in de tweede plaats dat ook eigenlijke zwakheidszonden, die tegen onze wil worden begaan, zonden zijn en in strijd zijn met de heiligheid van wet.
Maar verder, de vermaningen tot een heilige wandel zijn zo weinig nutteloos dat ze juist het middel zijn waardoor God de in Christus geschonken gerechtigheid en heiligheid in de gelovigen toepast en uitwerkt. Jezus bidt zelf in het hogepriesterlijk gebed of de Vader zijn leerlingen wil heiligen in de waarheid, dat is: door middel van zijn woord, dat de waarheid is. Joh. 17:17, vg. 15:3 Het woord dat God ons gaf, is inderdaad het voornaamste middel tot onze heiliging. De zegen, die niet alleen door de openbare prediking, maar ook door het lezen, onderzoeken en overdenken van dat woord in de eenzaamheid of in de huiselijke kring voor het kweken van een christelijk leven is voortgevloeid, is eenvoudig onschatbaar. Bij dit woord als middel voor de heiliging komt nog het gebed in Jezus’ naam, Joh. 14:13-14, 16:23-24 dat ons de toegang ontsluit tot de goddelijke majesteit en ons met vertrouwen vervult, omdat er niemand is, niet in de hemel en niet op de aarde, die ons liever heeft dan Jezus Christus (Nederlandse Geloofsbelijdenis 26). Verder het zingen van psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, Ef. 5:19, Kol. 3:16 dat een diepe invloed uitoefent op de stemming van het hart en de bereidheid van de wil. En dan ook nog het waken en vasten, Mat. 17:21, 26:41, Ef. 6:18, 4:3 dat ten onrechte haast geheel in onbruik is geraakt. Al deze middelen tot heiliging bewijzen dat God ook in dit werk van Hem de weg van de middelen niet afwijst.
Natuurlijk zou God, die de Almachtige is, al zijn kinderen in de wedergeboorte tegelijk volkomen heilig kunnen maken. Maar blijkbaar is dat niet zijn wil geweest. In de herschepping verloochent Hij zichzelf als Schepper niet. Al het geschapen leven wordt geboren, groeit op en bereikt langzamerhand zijn hoogtepunt. Omdat het geestelijk leven werkelijk leven is, ontstaat het en ontwikkelt het zich op dezelfde manier. God stort de gerechtigheid en heiligheid van Christus niet mechanisch in ons, als water in een vat. Nee, Hij werkt die op organische wijze in ons en door ons uit. Zo is het een dus niet met het ander in strijd als de Schrift het telkens zo voorstelt dat de gelovigen moeten worden wat ze zijn. Het koninkrijk van de hemelen is een gave van God Luk. 12:32 en toch een schat van grote waarde die gezocht moet worden. Mat. 6:33, 13:46 De gelovigen zijn ranken aan de wijnstok, die zonder Christus niets kunnen doen, en worden toch vermaand om te blijven in Hem, in zijn woord, in zijn liefde. Joh. 15 Ze zijn uitverkoren in Christus vóór de grondlegging van de wereld en moeten zich toch beijveren om hun roeping en verkiezing vast te maken. Ef. 1:4, 2 Pet. 1:19 Ze zijn door het ene offer van Christus geheiligd en moeten toch de heiliging najagen, zonder welke niemand de Heer zal zien. Heb. 10:10, 12:14 Ze zijn in Hem volmaakt en hebben het toch voortdurend nodig dat ze volmaakt gemaakt worden. Kol. 2:10, 1 Pet. 5:10 Ze hebben de nieuwe mens aangedaan en moeten hem nog steeds aandoen. Ef. 4:24, Kol. 3:10 Ze hebben het vlees gekruisigd met de begeerlijkheden en moeten toch nog hun leden doden die op aarde zijn. Gal. 5:24, Kol. 3:5 God is het die zowel het willen als het werken in hen werkt volgens zijn welbehagen en toch moeten ze met vrees en beven aan hun eigen zaligheid werken. Fil. 2:12-13
Dit alles is niet met elkaar in strijd. Het een is fundament en waarborg van het ander. Omdat de heiliging, net als heel de zaligheid, Gods werk is, daarom worden we vermaand, verplicht en ook bekwaam gemaakt tot een nieuwe gehoorzaamheid. Hij schenkt overvloedige genade, niet om eensklaps, plotseling heilig te zijn en in deze heiligheid te rusten, maar om in de strijd te volharden en staande te blijven. Hij hoort en verhoort het gebed, maar in overeenstemming met de orde en wet die Hij voor het geestelijke leven gesteld heeft. En daarom hebben we altijd goede moed, want Hij die een goed werk in ons begonnen is, zal het ook voltooien tot op de dag van Jezus Christus. De gelovigen kunnen en zullen heilig worden, omdat ze in Christus heilig zijn.
Deze psalmberijming is een project in uitvoering. Ik probeer regelmatig een nieuwe psalm te plaatsen, maar ik heb geen idee hoe vaak dat gaat lukken en ook niet of dit project ooit afkomt.
Psalmen zijn natuurlijk bedoeld om te zingen, dus ik heb er geen bezwaar tegen als dat gebeurt. Wel zou ik het leuk vinden om dat dan ook te weten.
En ik zou je willen vragen deze berijming niet verder te verspreiden zonder mijn toestemming en nooit zonder bronvermelding.




















