Omdat het beeld van God niet alleen uit kennis en gerechtigheid, maar ook uit heiligheid bestond, moet de herschepping de mens herstellen in de juiste verhouding tot God en hem bovendien innerlijk vernieuwen volgens de eis van zijn heilige wet. Zonde is schuld, maar ook smet. De rechtvaardiging bevrijdt hem van de schuld, de heiliging verlost hem van de smet van de zonde. Door de een wordt zijn bewustzijn, door de ander zijn zijn veranderd. Door de eerste komt de mens weer goed te staan, door de tweede komt hij weer goed te zijn en goed te doen.

Het woord heilig komt bijna op iedere bladzijde van de Heilige Schriften voor. Wat de oorspronkelijke, natuurlijke betekenis was van het Hebreeuwse woord dat in onze taal met heilig is vertaald, is niet met zekerheid uit te maken, omdat het woord in de Schrift nooit in die zin wordt aangetroffen, maar altijd in een godsdienstige betekenis gebruikt wordt. Waarschijnlijk is het echter toch afgeleid van een stam die afsnijden, afzonderen betekent. Evenmin is met beslistheid te zeggen in welke zin het woord het eerst op godsdienstig gebied werd overgebracht. Volgens sommigen werden eerst personen en zaken heilig genoemd, omdat ze van anderen werden afgezonderd en aan het gewone gebruik werden onttrokken. Het tegenovergestelde van heilig is namelijk onheilig, ongewijd, gewoon, profaan. Lev. 10:10, 1 Sam. 21:5, Ezech. 22:6 Volgens anderen bevatte de oorspronkelijke betekenis een aanduiding dat personen en zaken op een bepaalde manier in relatie stonden tot God en daarom werden afgezonderd van anderen. Voor de laatste opvatting pleit dat mensen en dingen nooit vanzelf, van nature heilig zijn, maar dat pas kunnen worden door een bepaalde handeling die er met hen gebeurt. Ook kunnen ze niet zichzelf heiligen, want alle heiligheid en heiliging gaat uit van God. Jehova is heilig en daarom wil Hij een heilig volk, een heilig priesterschap, een heilige woning. Ex. 29:43, Lev. 11:44-45, 19:2 enz. Hij wijst aan wie van Hem is en wie heilig is. Num. 16:5
Talloze malen wordt God dan ook in het Oude Testament de Heilige genoemd. Alleen in Daniël spreekt ook Nebukadnezar over zijn heilige goden. Dan. 4:8-9, 4:18, 5:11 Daarmee wordt geen bijzondere eigenschap in het goddelijk wezen naast andere eigenschappen aangeduid. De naam dient vooral om zijn goddelijke grootheid, verhevenheid, majesteit, ongenaakbaarheid uit te drukken. Er is niemand heilig zoals de Heer, want er is niemand anders dan Hij. 1 Sam. 2:2 Hij is God en geen mens, de Heilige. Hos. 11:9 Niemand kan voor zijn aangezicht bestaan. 1 Sam. 6:20 Hij is hoog verheven boven de goden, verheerlijkt in heiligheid, ontzagwekkend in lofzangen, Hij die wonderen doet. Ex. 15:11 Hij is ontzagwekkend vanuit zijn heiligdom. Ps. 68:36 Zijn naam is groot en ontzagwekkend. Ps. 99:2-3 Zweren bij zijn heiligheid is zweren bij zichzelf. Amos 4:2, 6:8 Kortom, heiligheid duidt God aan in zijn onderscheid van en verhevenheid boven elk schepsel. Hij is de Heilige, omdat Hij God is. En vooral Jesaja bedient zich bij voorkeur van deze naam. Jes. 5:16, 6:3, 29:23, 30:11-12 enz., vg. Ezech. 37:28, 39:7, Hab. 1:12, 3:3 enz.
Die heiligheid van God komt tot openbaring in alle verhoudingen waarin Hij zich tot zijn volk heeft gesteld. Heel de wetgeving van Israël heeft haar uitgangspunt in de heiligheid van Jehova en haar doel in de heiliging van het volk. Heilig is Hij in heel zijn openbaring, in alles wat van Hem uitgaat. Heilig is zijn naam, Lev. 20:3 zijn arm, Ps. 98:1 zijn verbond, Dan. 11:28 zijn woord, Ps. 105:42 zijn Geest. Ps. 51:11, Jes. 63:10, 63:17 En daarom wil Hij dat ook zijn volk heilig is Ex. 19:6, 29:43-46, Lev. 11:44, 19:2 en in dat volk weer speciaal de priesters en de levieten, die de heilige dingen bedienen en door bijzondere rituelen tot hun ambt worden gewijd. Ex. 29 Ja, alles wat gerelateerd is aan de dienst aan God, plaatsen, tijden, offers, priesterkleding, tempel enzovoort, moet aan de Heer gewijd en heilig zijn. Van heel de wetgeving is de bedoeling dat Israël voor de Heer een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zal zijn. Ex. 19:6 En heilig is dat volk wanneer het in alles beantwoordt aan de wet die de Heer gegeven heeft.
Nu bevatte die wet onder Israël niet alleen morele, maar ook vele burgerlijke en rituele geboden. Heiligheid bestond dus wel uit volkomenheid, uit totale overeenstemming met de wet. Maar deze volkomenheid was niet alleen van morele, maar ook van burgerlijke en rituele aard. Het volk verviel echter dikwijls tot eenzijdigheid en zocht in uiterlijke, levitische reinheid het wezen van de godsdienst. Daar kwamen dan de profeten tegen op en verkondigden dat gehoorzamen beter is dan slachtoffers en opmerkzaam zijn beter dan het vette van de rammen, 1 Sam. 15:22 dat de Heer vreugde vindt in goeddoen en niet in offers, in kennis van God meer dan in brandoffers, Hos. 6:6 dat de Heer niets anders eist dan recht doen, goeddoen liefhebben en ootmoedig wandelen met God. Micha 6:8 Ze brachten aan het licht dat Gods heiligheid vooral bestond uit zijn morele volmaaktheid, uit zijn verhevenheid boven en tegenstelling met alle zondigheid van het schepsel. Jes. 6:3-7 Als mensen zijn naam en zijn verbond ontheiligen, dan heiligt Hij zichzelf langs de weg van recht en gerechtigheid. Jes. 5:16, Ezech. 28:22 Als de Heilige straft Hij dan wel de vijanden, opdat zij weten dat Hij de Heer is. Jer. 50:29, Ezech. 36:23, 39:7 Maar zijn volk zal Hij verlossen, door het van alle ongerechtigheden te reinigen, er een nieuw verbond mee op te richten en het met een nieuw hart in zijn wegen te laten wandelen. Jer. 31:31-34, Ezech. 36:25-29 enz. En Hij zal dat niet doen omwille van Israël, maar omwille van zijn grote naam. Jes. 43:35, Ezech. 36:22, 36:32 enz.





















