21.9 – Vergeving van zonden en eeuwig leven

0
11

Daarom sluit de rechtvaardiging ook twee weldaden in: vergeving van de zonden en toekenning van het recht op het eeuwige leven. Ze zijn aan elkaar verbonden en staan tot elkaar in dezelfde verhouding als de passieve en actieve gehoorzaamheid in het werk van Christus. Christus herstelde niet alleen wat Adam door zijn ene overtreding bedierf, maar Hij verwierf ook wat Adam door zijn inachtneming van Gods gebod had moeten verwerven, namelijk het eeuwige leven. Wie in Christus gelooft, ontvangt daardoor de vergeving van al zijn zonden Mat. 9:2, Rom. 4:7, Ef. 4:32 en tegelijk op datzelfde ogenblik ook het eeuwige leven. Joh. 3:16, 3:36

Nu wordt over de vergeving van de zonden door de meeste mensen heel lichtvaardig gedacht. Ze stellen het zich als iets heel natuurlijks voor dat God de zonden vergeeft en de tekortkomingen door de vingers ziet. Het is alsof God de zonden vergeven moet en anders geen God van de liefde zou zijn. Maar de ervaring in het menselijk leven kan hen al beter inlichten. Vergeven, van harte vergeven, zó vergeven dat er niets meer van de ondervonden belediging in het hart overblijft, dat kost strijd tegen onszelf en betekent een overwinning op onszelf. Weliswaar is het gevoel van belediging bij ons dikwijls zeer misplaatst. We trekken ons dingen aan die hoegenaamd geen waarde hebben en laten andere voorbijgaan die ons diep hadden moeten grieven. Ons eer- en rechtsgevoel is niet uitgeroeid, maar toch bedorven en in een verkeerde richting geleid. Maar het kan toch voorkomen dat we door een of andere behandeling ons terecht diep beledigd en in onze eer, in ons karakter, in onze naam gekrenkt voelen. En hoeveel strijd kost het dan niet om alle wraak en haat uit het hart te bannen en onze vijand zo volkomen en van harte te vergeven dat we de belediging vergeten en er nooit meer aan denken. Vergeving veronderstelt altijd de schending van een recht en bestaat dan uit de kwijtschelding van een daarvoor verschuldigde straf.

Dit alles geldt al onder mensen. Maar zonde en vergeving krijgen beide een veel ernstiger karakter wanneer ze tegen God begaan en door God geschonken wordt. God heeft ook een recht. Het recht namelijk om altijd, overal, in alles, door alle mensen als God erkend, gediend en vereerd te worden. Dit recht is het principe en het fundament van elk recht. Wie het aantast, tast principieel heel de rechtsorde, heel de morele wereldorde aan, zoals ze in God haar oorsprong en vastigheid heeft. Zonde is een omverwerpen van Gods gerechtigheid. Wie zo de zonde leert kennen, wie haar beschouwt bij het licht van de Heilige Schrift, wie haar enigszins ziet zoals God haar ziet, die gaat anders denken over de vergeving. Hij kan die eigenlijk niet geloven, want ze gaat tegen de schijn van alle dingen in. Er is in de eerste plaats zijn eigen hart, dat hem veroordeelt en schuldig stelt voor Gods aangezicht. Er is vervolgens de wet, die de vloek over hem uitspreekt en hem de dood waard keurt. Er is verder nog satan, die hem aanklaagt en in zijn aanklacht tegen hem gelijk heeft. Er komen de mensen bij, die hem in de nood alleen laten staan en zijn zonden breed uitmeten. En in en achter die allen hoort hij de stem van Gods gerechtigheid, die hem opzoekt en vervolgt en vasthoudt en prijs geeft aan het oordeel. Wie durft, wie kan, als hij dit alles bedenkt en ervaart, geloven in de volkomen vergeving van al zijn zonden?

Maar de gemeente van Christus durft dat en kan dat en mag dat. Ze belijdt ootmoedig en met een opgetogen hart: ‘Ik geloof de vergeving van de zonden. Ik geloof die, al zie ik die niet. Ik geloof die, al klaagt mijn geweten mij aan dat ik tegen al Gods geboden zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden heb en nog steeds geneigd ben tot elk kwaad.’ En voor dat geloof heeft ze grond onder de voeten. Wie de vergeving van de zonden buiten Christus zoekt, kan er naar wensen en erop hopen, maar hij kan die niet van harte en met overtuiging geloven. Hij stelt die gelijk aan een door de vingers zien en verzwakt de ernst van de zonde. Maar het evangelie maakt ons ermee bekend dat God de zonden vergeven kan en vergeven heeft, omdat zijn recht in Christus volledig is gehandhaafd. Voldoening weerspreekt de vergeving niet, maar baant er de weg voor, waarborgt die en laat ons erin geloven met ontwijfelbare zekerheid. En zo volkomen is daarom die vergeving van al onze zonden dat die in de Schrift gelijkgesteld wordt met een er niet meer aan denken, een achter de rug werpen, een vergeten. Jes. 38:17, 43:25, Heb. 8:12 De Heer aanschouwt geen onrecht in Jakob en Hij ziet geen kwaad in Israël. Num. 23:21

Deze vergeving ligt al besloten in Gods voornemen, is openlijk over heel de gemeente uitgesproken in de opstanding van Christus, Rom. 4:25 wordt in het algemeen bekend gemaakt in het evangelie Hand. 5:31 en wordt in het bijzonder uitgedeeld aan ieder die gelooft. Maar al heeft de gelovige ook deel aan de vergeving van al zijn zonden, hij moet zich die toch voortdurend, van dag tot dag, in het geloof blijven toe-eigenen om er de zekerheid en de troost van te genieten. Het zou wel gemakkelijk zijn als we met een ‘eens bekeerd blijft bekeerd’ zouden kunnen wandelen volgens het goeddunken van ons hart. En velen blijven inderdaad voortleven op een ervaring van vroeger en stellen zich daarmee gerust. Maar dat is het christelijk leven niet. Noch de gerechtigheid die in Christus Jezus is, noch het geloof dat de Heilige Geest in onze harten plant, is een dood kapitaal. We krijgen aan de vergeving van onze zonden, van haar waarheid en haar zekerheid voortdurend deel door de gemeenschapsoefening met Christus zelf in de activiteit van het zaligmakend geloof. Daarom heeft Jezus de bede om vergeving van de zonden ook nog op de lippen van zijn leerlingen gelegd. Mat. 6:12 De ootmoedige belijdenis van onze zonden is de weg waarlangs God zijn trouw en gerechtigheid bewijst om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. 1 Joh. 1:9 En om ons de grootte van de weldaad die ons in de vergeving van de zonden geschonken wordt, voortdurend diep te laten beseffen, voegt Christus aan de bede om vergeving van onze schulden nog de woorden toe: ‘Zoals wij onze schuldenaren vergeven.’ Deze woorden bevatten niet de reden op grond waarvan wij van God kwijtschelding van onze zonden durven of mogen vragen. Ze geven niet de maatstaf aan volgens welke wij daar voor onszelf een beroep op mogen doen. Nee, ze omschrijven de gezindheid die in de bidder aanwezig moet zijn om de weldaad van de vergeving te ontvangen, te genieten en te waarderen. We beseffen pas enigszins wat het, menselijk gesproken, God heeft gekost om ons in Christus de vergeving van de zonden te schenken, als we alle vijandschap uit ons hart hebben uitgeroeid en onze schuldenaren van harte al hun beledigingen vergeven. We kunnen om die vergeving als een grote onwaardeerbare weldaad alleen bidden met al de ernst van onze ziel als we van harte vergevensgezind zijn tegen onze naaste. De vergeving van onze zonden is daarom bij God wel ineens en volkomen gebeurd, maar ze wordt ons heel ons leven door toegeëigend, langs de weg van geloof en bekering. Het avondmaal is daarvoor ook het bewijs. Want we vieren daarin telkens weer de herinnering dat Christus zijn lichaam verbroken en zijn bloed vergoten heeft voor de vergeving van onze zonden. Mat. 26:28

De keerzijde van deze weldaad van de vergeving is het recht op het eeuwige leven. Wie in Christus gelooft, is niet alleen vrij van Gods toorn, maar ontvangt ook meteen het eeuwige leven. Nu denkt Johannes bij dit eeuwige leven vooral aan het nieuwe leven, dat uit God geboren en door de Heilige Geest in ons hart wordt geplant. Joh. 1:13, 3:5 Het kindschap waarover hij spreekt, komt op uit de wedergeboorte en bestaat vooral uit God-gelijkvormigheid. Joh. 1:13, 1 Joh. 1:1-3 Maar Paulus spreekt over het kindschap gewoonlijk in een andere zin. Hij verstaat eronder dat God ons op grond van de gerechtigheid in Christus als zijn kinderen en erfgenamen aanneemt.

Bij de Romeinen waren de families streng van elkaar gescheiden. Elke familie had haar eigen rechten en vooral ook haar eigen godsdienstige gebruiken. Een kind kon daarom alleen uit de ene familie in de andere overgaan door een formele, wettige akte, waarbij de natuurlijke vader zijn kind als het ware verkocht aan de andere vader, die het als zijn eigen kind wilde aannemen. Wanneer de natuurlijke vader gestorven was, kon de overgang alleen gebeuren door een plechtige verklaring van het volk in een openbare vergadering. Zo alleen kon het kind van zijn verplichtingen in de ene familie ontslagen en aan die in een andere familie onderworpen worden.

Daaraan ontleent de apostel Paulus waarschijnlijk het begrip van de adoptie (aanneming als kinderen) om de nieuwe verhouding aan te geven waarin de gelovigen tot God staan. Deze adoptie was in het Oude Testament al het voorrecht van Israël, Rom. 9:4 dat daarom herhaaldelijk Gods zoon heet. Ex. 4:22-23, Deut. 8:5, Hos. 11:1 enz. Maar ze is toch vooral een zegening van het nieuwe verbond. Want de gelovigen van het Oude Testament waren nog in bewaring gesteld onder de wet. Gal. 3:23, 4:1-3 Maar nu is Christus gekomen in de volheid van de tijd, heeft zich onder de wet gesteld en haar vloek gedragen, om degenen die onder de wet waren te verlossen en opdat wij de aanneming tot kinderen zouden verkrijgen. Gal. 4:4-5 Christus heeft ons door zijn dood losgekocht uit de slavernij van de wet en van de zonde, zodat wij nu aan een ander toebehoren, namelijk aan Hem die uit de doden is opgewekt, Rom. 7:1-4 en door God als zijn kinderen en erfgenamen zijn aangenomen. Gal. 4:7 Als zodanig hebben ze ook de Geest van de Zoon ontvangen, de Geest van de aanneming als kinderen, de Geest zoals die bij dit kindschap past. Door die Geest zijn ze zich van kindschap bewust, ontvangen ze de vrijmoedigheid om God als hun Vader aan te spreken en worden ze voortdurend geleid. Rom. 8:14-16, Gal. 4:6 Ja, zoals die aanneming als kinderen wortelt in het eeuwig voornemen van God, Ef. 1:5 zo strekt ze zich ook ver naar de toekomst uit. Want hoewel de gelovigen nu al kinderen zijn en alle rechten van erfgenamen hebben, Rom. 8:17, Gal. 4:7 verwachten ze toch nog met heel de schepping de openbaring van Gods kinderen, de vrijheid van hun heerlijkheid, de aanneming als kinderen, namelijk de verlossing van hun lichaam. Rom. 8:18-23 Pas in de opstanding van de doden, als ook het lichaam volkomen verlost zal zijn, wordt de aanneming als kinderen voltooid.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in