De rechtvaardiging is daarom zeer zeker een genadige, maar ook een rechterlijke daad van God, een verklaring waarbij Hij als Rechter ons vrijspreekt van schuld en straf en recht geeft op het eeuwige leven. Door Rome en door allen die de basis voor de rechtvaardiging van de mens geheel of voor een deel in de mens zelf zoeken (in zijn geloof, in zijn goede werken, in de Christus in ons, in het nieuwe levensprincipe enzovoort) wordt tegen deze rechterlijke rechtvaardig-verklaring altijd het bezwaar ingebracht dat zo’n juridische verklaring onwaar en God onwaardig is. Want als de grond van onze rechtvaardiging, zo zeggen zij, volledig in Christus buiten ons ligt en geloof en goede werken hoegenaamd niet als een deel van onze gerechtigheid voor God in aanmerking komen, dan is de mens die gerechtvaardigd wordt, niet werkelijk rechtvaardig en dan velt God over zo’n mens een onwaar, onrechtvaardig oordeel. Want hij is niet, wat hij wordt verklaard te zijn.

Tegen dit bezwaar is het eigenlijk al voldoende om op te merken dat de Heilige Schrift onder rechtvaardiging steeds een juridische daad verstaat. Ze spreekt herhaaldelijk over de rechtvaardiging van de zondaar voor God en gebruikt dan een woord dat is ontleend aan de taal van het recht en steeds een juridische betekenis heeft. Aan de rechters onder Israël gaf God het bevel dat ze de rechtvaardige vrij (rechtvaardig) zouden spreken en de onrechtvaardige zouden veroordelen. Deut. 25:1, Ps. 82:2-3, Spr. 17:15, 24:24, Jes. 5:23 En zelf toont God zijn rechtvaardigheid doordat Hij de goddeloze niet rechtvaardigt en de rechtvaardige niet doodt. Gen. 18:25, Exdus 23:7, 2 Kron. 6:23 Als dit woord op geestelijk gebied wordt overgebracht, behoudt het zijn juridische betekenis. Zo zegt Jezus bijvoorbeeld dat de wijsheid die in Hem verschenen is, gerechtvaardigd, dat wil zeggen: als wijsheid erkend is door haar kinderen Mat. 11:19 en dat het volk dat Johannes hoorde en de tollenaars die met zijn doop gedoopt werden daardoor God rechtvaardigden, dat is: God als rechtvaardig erkenden. Luk. 7:29 De morele betekenis van rechtvaardig of heilig maken is in deze beide plaatsen zelfs totaal uitgesloten.
En datzelfde is het geval wanneer het woord in de zaligmaking van de zondaar wordt gebruikt. Want niet alleen zegt Paulus dat in het evangelie de gerechtigheid van God geopenbaard wordt, Rom. 1:19, 3:20 e.v. maar hij verklaart ook dat God degene die uit het geloof is, rechtvaardigt en daarbij zelf rechtvaardig blijft, Rom. 3:36 dat Hij degene die niet werkt, maar gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt, het geloof als gerechtigheid toerekent. Rom. 4:5 Hij stelt rechtvaardigen tegenover beschuldigen en veroordelen en roept uit: ‘Wie zal een beschuldiging inbrengen tegen Gods uitverkorenen? God is het die rechtvaardigt. Wie is het die veroordeelt?’ Rom. 8:33-34 Hij wisselt rechtvaardigen af met gerechtigheid toerekenen Rom. 4:3, 4:6, 4:12 en met aanmerken als rechtvaardigen Rom. 5:19 en laat zich in het voorafgaande vers zich zo uit: door één misdaad (van Adam) is het voor alle mensen gekomen tot een veroordelend vonnis en zo is het ook door één rechtvaardigingsoordeel (over Christus) voor alle mensen gekomen tot een rechtvaardiging die het leven meebrengt. Overal is rechtvaardigen dus een juridische daad, een oordeel van de vrijspraak, dat door de hemelse Rechter geveld wordt over de zondaar, die volgens de maatstaf van de wet een goddeloze is, maar de door God zelf in Christus geschonken gerechtigheid door het geloof heeft aangenomen en volgens die gerechtigheid geoordeeld een rechtvaardige is.
Behalve echter dat de Heilige Schrift de rechtvaardiging zeer duidelijk als een juridische handeling opvat, maken haar tegenstanders zich van haar karakter een geheel verkeerde voorstelling. Ze zeggen dat zo’n vrijspraak van de mens, op grond van een gerechtigheid die buiten hem is, niet echt is en de mens zelf geheel onveranderd laat. Nu valt deze beschuldiging op henzelf terug. Want als ze de mens laten vrijspreken op grond van een gerechtigheid die in hem is, dan zullen ze zelf toch moeten erkennen dat die gerechtigheid in de mens hier op aarde altijd hoogst gebrekkig en onvolkomen is. En dus moeten ze tot de conclusie komen dat God iemand rechtvaardigt op grond van een zeer gebrekkige gerechtigheid en zich dus schuldig maakt aan een onwaar oordeel. Daarentegen is een vrijspraak op grond van de gerechtigheid die in Christus ligt, volkomen rechtvaardig. Want die gerechtigheid is volmaakt en door God zelf in zijn geliefde Zoon geleverd. Maar bovendien, die vrijspraak heeft wel alleen plaats op grond van de gerechtigheid die in Christus is, maar ze werkt op haar tijd ook door het geloof in het bewustzijn van de mens door en brengt daar de grootste verandering aan. Ook als iemand voor een aardse rechter voor een ernstige misdaad wordt aangeklaagd en daarna wordt vrijgesproken, blijft hij niet dezelfde, maar wordt heel zijn rechtsverhouding omgezet. En zo werkt de vrijspraak door God ook in het bewustzijn van de mens door en bevrijdt hem van elk schuldbesef.
Die vrijspraak heeft in zekere zin al plaatsgevonden in het besluit van de verkiezing. Ze is objectief uitgesproken in de opstanding van Christus, die overgeleverd is om onze zonden en opgewekt is om onze rechtvaardiging, Rom. 4:25 en in het evangelie, dat de blijde boodschap bevat dat God door de dood van Christus in een verhouding van verzoening en vrede tot de wereld staat. 2 Kor. 5:19 En die vrijspraak komt subjectief in de innerlijke roeping naar de mens toe en wordt dan van zijn kant aangenomen in het geloof. De rechtvaardiging is maar één schakel in de keten van het heil. Ze is aan de ene kant verbonden met de voorkennis en roeping en aan de andere kant met de heiliging en verheerlijking. Rom. 8:30 De rechtvaardiging in de rechtbank van God dringt dus op haar tijd door het geloof in het bewustzijn van de mens. En de gerechtigheid die Christus verworven heeft, is geen dood kapitaal, dat buiten Christus ligt. Nee, ze is in zijn persoon begrepen en Christus is juist opgewekt om op zijn tijd door de Heilige Geest zichzelf met al zijn weldaden aan de zijnen mee te delen. En als daarvoor bij de mens het geloofsoog ontsloten wordt, dan verandert ineens heel zijn rechtsverhouding. Hij die arm was, wordt plotseling rijk door de rijkdom die in Christus Jezus is. Hij die schuldig was aan de overtreding van al Gods geboden, ziet zich eensklaps van alle schuld en straf bevrijd. Hij die de eeuwige straf had verdiend, ziet zich het recht toegekend op het eeuwige leven! En met Paulus roemt hij: ‘Wie zal een beschuldiging inbrengen tegen Gods uitverkorenen? God is het die rechtvaardigt. Wie is het die veroordeelt? Christus is het die gestorven is, ja wat meer is, die ook opgewekt is, die ook aan Gods rechterhand is, die ook voor ons bidt.’ Rom. 8:33-34
En dan ten slotte nog: rechtvaardiging en heiliging zijn onderscheiden en behoren scherp onderscheiden te worden. Want wie dat onderscheid verwaarloost of uitwist, richt weer een eigen gerechtigheid in de mens op, miskent de volkomenheid en toereikendheid van Gods gerechtigheid, die in Christus verschenen is, verandert het evangelie in een nieuwe wet, neemt de troost voor de zielen weg en maakt de zaligheid afhankelijk van de verdiensten van de mens. Het geloof komt in de rechtvaardiging dus niet anders voor dan als een ontvangend instrument of orgaan, als de hand die een gave aanneemt, als het vertrouwen van de ziel op Christus en zijn gerechtigheid alleen. Weliswaar bedient de Heilige Schrift zich meermalen van de uitdrukking dat het geloof wordt toegerekend als gerechtigheid. Gen. 15:6, Rom. 4:3, 4:5, 4:9, 4:22, Gal. 3:6, Jak. 2:23 En daarmee wordt ongetwijfeld aangegeven dat het geloof de plaats inneemt van de gerechtigheid die de wet eist, maar die de zondaar niet bezit. Maar daarbij komt de vraag op: waarom treedt en waarom kan het geloof optreden in de plaats van de door de wet geëiste gerechtigheid? Is dat te danken aan dat het geloof zo’n voortreffelijke morele waarde heeft en zo’n goed, deugdelijk werk is?
Er zijn er velen die dit menen en die zeggen dat geloof zonder meer, geheel afgezien van zijn inhoud en object, enkel en alleen door zijn innerlijke hoedanigheid rechtvaardigt. Maar de leer van de Schrift is dit zeker niet. Want als het geloof op grond van zijn morele natuur zou rechtvaardigen, dan zou het weer als een daad of een werk optreden en niet tegenover de werken staan. En toch, Paulus spreekt zo kras mogelijk uit dat de rechtvaardiging die nu in het evangelie door het geloof plaatsvindt, lijnrecht tegenover elke rechtvaardiging uit de werken van de wet staat. Rom. 3:20, 3:28, 4:4 e.v., Gal. 2:16, 3:11 enz. Verder wisselt deze tegenstelling af met de andere, dat de rechtvaardiging door het geloof een rechtvaardiging uit genade is en als zodanig alle roem en alle verdienste uitsluit. Rom. 3:24, 4:4 e.v., Tit. 3:5 De apostel zegt uitdrukkelijk dat de erfenis uit het geloof is, juist opdat ze uit genade zou zijn. Rom. 4:16 Maar dat zou niet zo gezegd kunnen worden als het geloof zelf, om zijn innerlijke waarde en kracht, de mens rechtvaardigde. Ten slotte, als het geloof deze dienst verrichtte, dan zou Christus elke betekenis in de rechtvaardiging verliezen. Het kwam er dan alleen op aan dát, maar hoegenaamd niet wát iemand geloofde. Geloof zou rechtvaardigen, ook al was het geloof in een afgod, in een demonische kracht, in een valse profeet, net zoals sommige ongelovige geneesheren hun zieken een bezoek aan Lourdes enzovoort aanbevelen, omdat ‘geloof geneest’.
Maar het getuigenis van de Schrift staat hier lijnrecht tegenover. Het komt bij het rechtvaardigend geloof juist helemaal aan op de inhoud en het object. Het geloof kan in de plaats van de door de wet geëiste gerechtigheid optreden en als gerechtigheid worden toegerekend, omdat het geloof in Christus Jezus is, die door God is gepresenteerd als een verzoening door de kracht van zijn bloed, Rom. 3:25 die onze vloek heeft gedragen, Gal. 3:13 voor ons zonde is gemaakt, 2 Kor. 5:21 die gestorven en opgewekt is, die aan Gods rechterhand is en voor ons bidt Rom. 8:34 en die daarom voor ons gerechtigheid van God is geworden, 1 Kor. 1:30 in wie wij Gods gerechtigheid zijn. 2 Kor. 5:21 Kortom, het geloof rechtvaardigt omdat het in Christus deel krijgt aan een gerechtigheid die even volkomen en voldoende is als de gerechtigheid die door de wet wordt geëist, maar die nu in het evangelie door Gods genade in Christus wordt geschonken. Fil. 3:9 Het geloof rechtvaardigt niet door zijn innerlijke waardigheid, maar door zijn inhoud, namelijk de gerechtigheid van Christus.
Maar hoezeer het ook van het hoogste belang is het onderscheid tussen rechtvaardiging en heiliging helder in te zien en zuiver te handhaven, beide weldaden zijn toch geen ogenblik van elkaar gescheiden. Ze zijn niet gescheiden in het besluit van God, want de rechtvaardiging is slechts één schakel in de keten van het heil. ‘Hen die God van tevoren gekend heeft, die heeft Hij er ook van tevoren voor bestemd om gelijkvormig te zijn aan het beeld van zijn Zoon. En hen die Hij er van tevoren voor bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen. En hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd. En hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.’ Rom. 8:29-30 Ze zijn evenmin gescheiden in de persoon en het werk van Christus. Want de gerechtigheid is geen goed dat buiten Christus ligt en zonder zijn persoon ontvangen kan worden. Christus zelf is onze gerechtigheid en tegelijk daarmee is Hij ook onze wijsheid, heiligheid en verlossing. 1 Kor. 1:30 Men kan de ene weldaad van Christus niet aannemen zonder de andere, omdat ze allemaal in zijn persoon liggen opgesloten. Wie Christus als zijn gerechtigheid aanneemt door het geloof, die ontvangt Hem ook tegelijk als zijn heiligheid. Christus kan niet gedeeld, niet voor de helft of voor een deel worden aangenomen. Wie Hem heeft, heeft Hem helemaal, met al zijn weldaden. En wie zijn weldaden mist, heeft ook geen deel aan zijn persoon. Ten slotte, ook in het geloof zijn rechtvaardiging en heiliging onlosmakelijk verbonden. Het geloof komt bij de eerstgenoemde weldaad alleen en uitsluitend in aanmerking van zijn religieuze zijde, als vertrouwen op Gods genade, als aannemen van Christus en van de door God in Hem geschonken gerechtigheid. Maar als het geloof dit inderdaad is en doet, dan is het levend, zaligmakend geloof, dat Gods werk bij uitstek is Joh. 6:29 en in goede werken zijn echtheid en kracht openbaart. Gal. 5:6, Jak. 2:20 e.v. Rechtvaardigen is niet hetzelfde als levend maken. Maar net als zonde en dood zijn ook gerechtigheid en leven zeer nauw verbonden. De rechtvaardige uit het geloof zal leven. Rom. 1:17 Zoals het door één misdaad over alle mensen gekomen is tot een vonnis van veroordeling, zo komt het ook door één vonnis van vrijspraak over alle mensen tot een rechtvaardiging die het leven tot gevolg heeft en naar het leven leidt. Rom. 5:18




















