Nu zijn er echter twee manieren waarop een of andere zaak ons geschonken kan worden. We kunnen er door een juridische uitspraak eigendomsrecht op krijgen. En we kunnen er, op grond van zo’n juridische uitspraak, vroeger of later bezit van nemen. Wie in een wettig testament tot erfgenaam is benoemd, ontvangt daarbij al recht op de vermaakte goederen in de toekomst, maar het kan gebeuren dat hij pas jaren later als feitelijk eigenaar kan optreden. En ook wanneer recht en werkelijkheid op hetzelfde ogenblik samenvallen, blijft er toch in wezen een groot onderscheid tussen beide bestaan. Eigendom is de juridische, bezit is de feitelijke macht over een zaak. Bij de dieren treffen we dit onderscheid niet of in elk geval niet in die vorm en die mate aan. Een dier neemt wat het krijgen kan. Maar bij een mens is dat anders. Omdat hij is geschapen volgens Gods beeld, moet hij recht hebben op iets om het te mogen bezitten en gebruiken. Zijn eer en voorrecht is het om niet te leven van roof, maar om door het werk van zijn handen zijn eigen brood te eten.

Dat alles vindt ook op geestelijk gebied zijn toepassing. Want we staan tot God in allerlei verhoudingen. Hij is onze Schepper en wij zijn zijn schepselen. Hij is de pottenbakker en wij zijn de klei in zijn vingers. Hij is de bouwmeester en kunstenaar en wij zijn zijn tempel. Hij is de landman en wij zijn de ranken van de wijnstok. Hij is onze Vader en wij zijn zijn kinderen. Alle verhoudingen die in de wereld bestaan tussen bruidegom en bruid, man en vrouw, ouders en kinderen, overheid en onderdanen enzovoort worden in de Schrift te hulp geroepen om ons de rijke, veelzijdige verhouding te laten kennen waarin de mensen in het algemeen en vooral de gelovigen tot Hem staan. En geen daarvan kan verwaarloosd worden zonder dat we aan de inhoud van die innige relatie schade doen. Zo staan we tot God ook in een kinderlijke verhouding. De verloren zoon blijft in zijn afdwaling de naam zoon dragen, maar hij is een verloren en dode zoon en hij wordt pas weer gevonden en levend, als hij met schuldbelijdenis naar de Vader terugkeert.
Maar tegelijk daarmee staan we tot God ook in een juridische verhouding. Hij is onze Schepper en daardoor ook onze Wetgever, Koning en Rechter. De Schrift spreekt dat herhaaldelijk uit, Gen. 18:25, Ps. 47:3, 47:8, Jes. 33:22, Heb. 4:12, Jak. 4:12 maar ook ons eigen hart geeft daar getuigenis aan. Het rechtsbesef zit diep in onze ziel en is alle volken en mensen eigen. Het rechtsbegrip is zelf overal en altijd hetzelfde. Er is verschil van mening over de inhoud van het recht, over de rechten en wetten, maar het rechtsbegrip op zichzelf heeft geen geschiedenis, evenmin als de begrippen van tijd, plaats, beweging, leven, goed, kwaad. Het behoort tot de beseffen die in de menselijke natuur zijn ingeplant en langzamerhand tot bewustzijn komen. Geen volk is zo verwilderd of het voelt zich in bepaalde gevallen in zijn recht gekrenkt en grijpt naar de wapens om zijn recht te verdedigen. En onder dat recht in de ruimste zin valt ook de verhouding tot God. Ieder mens voelt zich in zijn geweten verplicht om God te dienen en volgens zijn wet te leven. En ieder mens heeft het bewustzijn dat hij, als hij dat niet doet, schuldig staat en zijn straf waard is. De wet van het verbroken werkverbond werkt na in het hart van ieder mens. En de morele wet, die door God op de Sinaï is afgekondigd, heeft slechts de inhoud van haar geboden en daarmee de plicht om die in acht te nemen verscherpt.
Deze rechtsverhouding wordt nu in het evangelie niet tenietgedaan, zoals velen het graag voorstellen, maar hersteld en vervuld. Het onderscheid tussen wet en evangelie ligt er niet in dat in de wet God alleen als Rechter en in het evangelie alleen als Vader optreedt. En nog veel minder mag het onderscheid tussen wet en evangelie gelijkgesteld worden met dat tussen Oud- en Nieuw Testament. Want ook in het Oude Testament heeft God aan zijn volk Israël het evangelie van zijn genade en barmhartigheid geopenbaard. De wet stond in dienst van het genadeverbond, kwam na en was ondergeschikt aan de belofte en was in zoverre ook een gave van zijn vaderlijke gunst en van zijn opvoedkundige wijsheid. Al is dan ook in de persoon van Christus de diepte van Gods ontfermingen veel helderder aan het licht gekomen dan in het Oude Testament mogelijk was, aan de ene kant was het evangelie van de genade ook onder Israël niet onbekend en aan de andere kant was de volheid van het evangelie, die in Christus verscheen, geen vernietiging, maar een vervulling van wet en profeten. Mat. 5:16, Rom. 3:31
Zo sterk mogelijk zegt dan ook de apostel Paulus dat in het evangelie de gerechtigheid van God is geopenbaard. Rom. 1:17, 3:21-26 De eenheid en overeenstemming van wet en evangelie houdt in dat in beide dezelfde gerechtigheid van God wordt geopenbaard. Maar het verschil ligt hierin: in de wet wordt die gerechtigheid geopenbaard volgens de regel: ‘De mens die deze dingen doet zal leven,’ maar in het evangelie wordt die gerechtigheid geopenbaard zonder de wet en volgens de regel: ‘Bij hem die niet werkt, maar gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend als gerechtigheid.’ Rom. 4:5 In de wet wordt een eigen, volkomen, voldoende gerechtigheid geëist. In het evangelie wordt een zelfde volkomen, voldoende gerechtigheid door God uit genade in Christus geschonken. Aangezien de mens het recht van God in zijn wet niet wilde en kon handhaven, heeft God zelf zijn recht door de gave van de gerechtigheid in Christus hersteld en bevestigd. Hij stelt zijn liefde en barmhartigheid in dienst van zijn gerechtigheid. Door zelf te geven, vervult Hij zijn eigen recht en Hij rekent ons uit genade de gerechtigheid van Christus toe, opdat wij het recht van zijn wet volledig zouden vervullen en volkomen vergeving van al onze zonden en een vrijmoedige toegang tot zijn hemels koninkrijk zouden ontvangen.





















