21.6 – Christus’ gerechtigheid wordt ons toegerekend

0
8

In de leer van de Schrift over de rechtvaardiging van de zondaar voor God valt er dus alle nadruk op dat de gerechtigheid op grond waarvan wij van schuld en straf worden vrijgesproken, een door God geschonken gerechtigheid is. Als we uit de werken van de wet, door het in acht nemen van haar geboden, gerechtvaardigd werden, dan zouden we door dat in acht nemen met een eigen, een door onszelf tot stand gebrachte gerechtigheid in Gods oordeel kunnen verschijnen en dan hadden we in zekere zin zelf iets om ons op te beroemen. Rom. 4:2 Maar de Schrift leert anders. Abraham had geen roem bij God, want niet de werken, maar het geloof werd hem toegerekend als gerechtigheid. En het loon werd hem niet uitgekeerd volgens wat hem verschuldigd was, maar volgens genade. Rom. 4:4-5

De gerechtigheid die God in Christus schenkt en waarmee we alleen voor zijn aangezicht kunnen bestaan, is dus in geen enkel opzicht vrucht van onze arbeid, maar in absolute zin een gave van God, een gave van zijn genade. We worden gratis, uit zijn genade gerechtvaardigd door de verlossing die in Christus Jezus is. Rom. 3:24 Gods genade is de diepste grond en de laatste oorzaak van onze rechtvaardiging. Maar die genade vormt met Gods gerechtigheid geen tegenstelling, maar is er zeer nauw mee verbonden. Immers, Paulus zegt herhaaldelijk dat in het evangelie de gerechtigheid van God geopenbaard is. Rom. 1:17, 3:5, 3:21-22, 3:25-26, 10:3 En zo zegt ook Johannes in zijn eerste brief dat God trouw en rechtvaardig is om ons, na belijdenis, onze zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid, 1 Joh. 1:9 en Petrus in zijn tweede brief dat wij het geloof verkregen hebben op grond van de gerechtigheid van onze God en Zaligmaker Jezus Christus. 2 Pet. 1:1

Hier ligt de gedachte in dat God, de God van het recht, in het evangelie een andere rechtsorde, een andere rechtsverhouding geschapen heeft dan die gold in de wet. Ook die rechtsorde openbaart Gods gerechtigheid, maar dan zo dat Hij aan de mens zijn wet geeft, hem tot gehoorzaamheid aan die wet verplicht en aan het einde hem volgens zijn werken beoordeelt, hem beloont of straft. Omdat echter de wet krachteloos is geworden door de zonden, heeft God in het evangelie een andere rechtsorde opgericht, waaraan de mensen zich ook moeten onderwerpen, Rom. 10:3 maar die zelf hun in het geloof de gerechtigheid schenkt die ze nodig hebben om in Gods rechtbank te kunnen bestaan. Het evangelie is dus tegelijk een orde van het recht en een orde van de genade. De genade houdt in dat God, die ons aan de wet kon houden en ons volgens die wet kon veroordelen, in Christus een andere weg naar de gerechtigheid en het leven ontsloot. En het recht ligt erin dat God ons niet zonder gerechtigheid en heiliging zijn koninkrijk binnenleidt, maar door het offer van Christus een volkomen gerechtigheid laat leveren en ons die uit genade schenkt en toerekent. Christus is een gave van Gods liefde Joh. 3:16, Rom. 5:8 en tegelijk een uiting van zijn gerechtigheid. Rom. 3:25 In het kruis op Golgotha zijn recht en genade met elkander verenigd. De rechtvaardiging is zowel een juridische als een genadedaad van God.

Aan die eenheid van recht en genade hebben we Christus en al zijn weldaden te danken, vooral ook de weldaad van de gerechtigheid die we nodig hebben om in de goddelijke rechtbank te kunnen bestaan. Deze gerechtigheid, die ons wordt geschonken in het geloof, moeten we echter goed onderscheiden van de gerechtigheid als eigenschap van Gods wezen of ook van de goddelijke of menselijke natuur van Christus. Want als de wezensgerechtigheid van God of Christus de basis voor onze rechtvaardiging zou zijn, zou niet alleen heel het lijden en sterven van Christus zijn waarde verliezen, maar zou ook de grenslijn tussen Schepper en schepsel worden uitgewist en hun beider natuur op een pantheïstische manier vermengd worden. De gerechtigheid die door het geloof ons deel wordt en ons voor God rechtvaardigt, is echter door het lijden en sterven van Christus verworven. Immers, God heeft Christus gepresenteerd als een verzoening door het geloof in zijn bloed, dat wil zeggen: als een zoenmiddel dat de verzoening van de zonden tot stand brengt door de kracht van het vergoten bloed en door middel van het geloof. Rom. 3:25 Hij is zonde voor ons gemaakt en is een vloek voor ons geworden, om ons van de vloek van de wet te verlossen en opdat wij gerechtigheid van God zouden worden in Hem. 2 Kor. 5:21, Gal. 3:13 Er heeft tussen Christus en de zijnen een uitwisseling plaats. Christus neemt hun zonde en vloek over en geeft hun daarvoor in de plaats zijn gerechtigheid. Hij is voor hen van God wijsheid, gerechtigheid en heiligheid, en verlossing geworden. 1 Kor. 1:30

Deze gerechtigheid van Christus is zo volkomen toereikend dat die van onze kant niet de minste aanvulling nodig heeft. Ze kan ook zelfs op geen enkele manier door ons uitgebreid of aangevuld worden. Want ze is één organisch geheel. Net zoals de wet een geheel is, zodat wie zich daar volledig aan zou houden, maar in één gebod zou struikelen, schuldig wordt aan alle geboden, Jak. 2:10 zo is ook de gerechtigheid die aan de eis van de wet voldoet, een volkomen eenheid, net als het onderkleed van Jezus zonder naad, van boven af in één geheel geweven. Joh. 19:23 Ze is niet uit stukken of delen samengesteld, maar ze is er of ze is er niet, je hebt haar of je hebt haar niet. Je kunt haar niet voor een deel ontvangen en het ontbrekende door eigen arbeid aanvullen. Bovendien, wat zou bij ons voor die aanvulling in aanmerking kunnen komen? Van goede werken die we vóór het geloof zouden volbrengen, kan geen sprake zijn. Want zulke goede werken zijn er niet. De Schrift spreekt het zo beslist mogelijk uit dat de gedachtespinsels van het hart van de mens van zijn jeugd af slecht is, dat wat uit vlees geboren is vlees is, dat het denken van het vlees vijandschap is tegen God en zich niet aan zijn wet kan onderwerpen, dat al zijn gerechtigheden zelfs gelijk zijn aan een bezoedeld kleed.

Als goede werken de gerechtigheid die Christus verworven heeft, moesten aanvullen, dan zouden daarvoor hoogstens de goede werken in aanmerking kunnen komen die de opnieuw geboren mens uit het geloof volbrengt. Want de gelovigen kunnen inderdaad goede werken doen. Zoals een goede boom goede vruchten voortbrengt, brengt de goede mens goede dingen voort uit de goede schat van het hart. Mat. 12:35 Vernieuwd door Gods Geest, vindt hij wat de innerlijke mens betreft vreugde in de wet van God. Rom. 7:22 Maar in de eerste plaats zijn al deze werken, die uit het geloof voortkomen, nog zeer onvolmaakt en met zonde besmet. Als de gelovige het goede wil doen, merkt hij steeds dat het kwade dicht bij hem ligt. Rom. 7:21 En in de tweede plaats veronderstellen al deze goede werken al de door Christus geschonken en in het geloof aangenomen gerechtigheid. De gelovige wandelt slechts in de goede werken die God heeft voorbereid en waarvoor hij, als Gods maaksel, in Christus Jezus geschapen is. Ef. 2:10

Onze troost bij de rechtvaardiging is dus dat heel de gerechtigheid die wij nodig hebben buiten ons ligt, in Christus Jezus. Wij zijn het niet die haar tot stand moeten of kunnen brengen. Nee, God openbaart zijn gerechtigheid in het evangelie doordat Hij zelf een gerechtigheid levert door het offer van Christus. De gerechtigheid die ons rechtvaardigt, is een gerechtigheid uit God, door het geloof in Christus. Ze is niet geheel en evenmin voor een deel uit onze werken, maar ze is volledig, volkomen en voldoende, een gave van God, een vrij genadegeschenk. Fil. 3:9, 2 Tim. 1:9, Tit. 3:5 Als het nu door genade is, dan is het niet meer uit de werken. Anders is de genade geen genade meer. Rom. 11:6 Christus zelf, kortom, is de gerechtigheid waarmee we alleen voor het aangezicht van God kunnen bestaan. 1 Kor. 1:30 Hij verwierf door zijn lijden en sterven het recht voor zich en de zijnen om, vrij van alle schuld en straf, het eeuwige leven binnen te gaan en plaats te nemen aan Gods rechterhand.

De gerechtigheid die ons rechtvaardigt, kan daarom ook niet losgemaakt worden van de persoon van Christus. Ze bestaat niet uit een materiële of geestelijke gave, die Christus ons zonder zichzelf kan schenken en die we zonder de persoon van Christus zelf zouden kunnen ontvangen en aannemen. Er is geen gemeenschap aan de weldaden van Christus buiten de gemeenschap aan zijn persoon en de laatste brengt altijd noodzakelijk de eerste mee. Om in Gods gericht te kunnen bestaan, om vrijgesproken te worden van alle schuld en straf en om aan Gods heerlijkheid en het eeuwige leven deel te krijgen, moeten we Christus hebben. Niet iets van Hem, maar Hemzelf en Hemzelf in de volheid van zijn genade en waarheid, wat betreft zijn goddelijke en menselijke natuur, in zijn vernedering en verhoging. De gekruisigde en verheerlijkte Christus is de gerechtigheid die God ons in de rechtvaardiging uit genade schenkt. En als God deze Christus met al zijn weldaden ons zo uit genade, zonder enige verdienste van onze kant schenkt, langs de weg van het geloof, dan rechtvaardigt Hij ons tegelijk, dat is: dan spreekt Hij ons vrij van alle schuld en van alle straf en dan geeft Hij ons het recht op het eeuwige leven, op de hemelse heerlijkheid, op zijn eigen zalige, nooit eindigende gemeenschap. En dan staan we zo vrij voor zijn aangezicht alsof we nooit zonde gehad of gedaan hadden, ja, alsof we zelf alle gehoorzaamheid hadden volbracht die Christus voor ons volbracht heeft.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in