21.4 – Gerechtigheid in het Nieuwe Testament

0
14

De gedachte dat God zelf aan zijn volk de gerechtigheid schenkt en het daardoor rechtvaardigt, komt veel rijker tot ontwikkeling in het Nieuwe Testament, als Christus op aarde verschijnt en door zijn leven en sterven alle gerechtigheid voor zijn gemeente volbrengt.

Jezus trad zelf op met de prediking dat de tijd vervuld was en Gods koninkrijk dichtbij was gekomen. Mar. 1:15 Hij bedoelde daarmee niet alleen dat het koninkrijk binnenkort zou komen, maar ook dat het in principe, in zijn persoon en werk, al gekomen was. Want Hij is de Messias, in wie de oudtestamentische profetie over de Knecht van de Heer haar vervulling heeft gekregen Luk. 4:17-21 en die dit verder door zijn werken bewijst. Want als Hij zieken geneest, doden opwekt, demonen uitwerpt, aan armen het evangelie verkondigt, de zonden vergeeft, dan is dat een onweerlegbaar bewijs dat Hij degene is die in de profetie werd beloofd en dat Gods koninkrijk op aarde is gekomen. Mat. 9:2, 9:6, 10:7-8, 11:5, 12:28 In de goederen die Christus schenkt, in de geestelijke en lichamelijke redding, worden de schatten van het koninkrijk van de hemelen openbaar.

Onder de schatten van dat koninkrijk wordt door Jezus ook uitdrukkelijk de gerechtigheid genoemd. In Mattheüs 6:33 wordt die zeer nauw met het koninkrijk verbonden, want Jezus vermaant daar zijn leerlingen: ‘Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn (namelijk Gods) gerechtigheid.’ Of volgens een andere lezing: ‘Zoek eerst zijn koninkrijk en gerechtigheid,’ namelijk van de hemelse Vader, die in vers 32 is genoemd. Net als het koninkrijk is ook de gerechtigheid in dat koninkrijk het eigendom en de gave van God, die Hij door Christus uitdeelt. Wie het koninkrijk van God zoekt en ontvangt, ontvangt ook meteen de gerechtigheid die voor het burgerschap in dat koninkrijk noodzakelijk is.

Daarom kan Jezus elders ook zeggen dat het bezit van die gerechtigheid een voorwaarde is om Gods koninkrijk binnen te gaan. ‘Tenzij jullie gerechtigheid overvloediger is dan van de schriftgeleerden en farizeeën, zullen jullie het koninkrijk van de hemelen zeker niet binnengaan.’ Mat. 5:20, vg. 7:21, 1 Kor. 6:10, Gal. 6:18-21, Ef. 5:5, Op. 22:15

Zelfs is deze gerechtigheid, die Jezus van zijn leerlingen eist, een heel andere, een veel diepere en veel inniger gerechtigheid, dan het uiterlijk volbrengen van de wet, waarmee de Joden zich tevreden stelden. Ze is een geestelijke en volkomen gerechtigheid, een volmaaktheid zoals die van de Vader. Mat. 5:20, 5:48 Maar als Jezus zo’n gerechtigheid nodig acht om het koninkrijk binnen te gaan, dan bedoelt Hij niet dat de mens die eerst vooraf in eigen kracht moet verwerven. Dan zou Hij immers geen Messias en zou zijn evangelie geen blijde boodschap geweest zijn. Maar zijn bedoeling is dan om de natuur, het geestelijke karakter, de volmaaktheid van Gods koninkrijk in het licht te stellen. Er kan niemand binnenkomen, behalve wie volkomen met Gods wet overeenstemt en deel heeft aan de volkomen gerechtigheid.

Maar die gerechtigheid, die aan de ene kant dus een eis en voorwaarde van het koninkrijk is, is aan de andere kant een gave van dat koninkrijk. Christus is het zelf die al de goederen van dat koninkrijk, en ook de gerechtigheid daarvan, uitdeelt. Het is een koninkrijk van God en de gerechtigheid is een gerechtigheid van God, Mat. 6:33 maar zoals de Vader het koninkrijk aan Hem beschikt heeft, zo beschikt Hij het aan zijn leerlingen. Luk. 22:29, 12:82 Want de Vader heeft de Zoon lief en heeft alle dingen in zijn hand gegeven. Mat. 11:27, Joh. 3:35, 13:3, 16:15 Maar de Vader heeft Hem dit alles gegeven omdat Hij de Mensenzoon is, Joh. 5:27 dat wil zeggen: opdat Hij het juist langs de weg van de gehoorzaamheid tot de dood toe voor zichzelf zou verwerven. Hij is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn ziel te geven als een losprijs in de plaats van velen. Mat. 20:28 In de dood aan het kruis liet Hij zijn lichaam verbreken en zijn bloed vergieten, opdat het nieuwe Testament gesticht en alle zonden van zijn volk vergeven zouden kunnen worden. Mat. 26:26-28

Op grond van de aanstelling door zijn Vader en van zijn eigen offer deelde Hij vóór en na zijn dood alle goederen van het koninkrijk aan zijn leerlingen uit. Hij genas niet alleen de zieken, maar vergaf ook de zonden en zegde het eeuwige leven toe. En Hij deelde deze weldaden niet uit aan de eigengerechtige farizeeën, maar aan de tollenaren en zondaren, aan de vermoeiden en belasten, aan de armen van geest en de hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid. Hij kwam niet om rechtvaardigen, maar om zondaren te roepen tot bekering, Mat. 9:13 om te zoeken en zalig te maken. Luk. 19:10 Geen eigen gerechtigheid, maar wedergeboorte, geloof, bekering opent de toegang tot het koninkrijk en al zijn goederen. En die wedergeboorte is zelf een gave en een werk van de Heilige Geest. Joh. 3:5

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in