Maar hoe is dit alles mogelijk? Hoe kunnen mensen, die allen zondaren zijn, ooit als rechtvaardigen voor Gods heilig aangezicht staan? Hoe kunnen ze ooit het recht aan hun zijde hebben en volgens Gods gerechtigheid van hun zonden vrijgesproken en in zijn zalige gemeenschap opgenomen worden ?

Is het misschien toe te schrijven aan het feit dat Israël in de dagen van het Oude Testament het volk van God was, de tempel in zijn midden had en ijverig offers van jonge stieren en bokken bracht? Er waren er velen onder Israël die daarop hun vertrouwen stelden en daarom meenden dat het kwaad hen niet zou treffen. Maar de profeten, die in de naam van de Heer optraden, onderwezen het volk heel anders. Als Israël zich op zijn uiterlijke voorrechten verhief, dan zeggen zij allen eenparig dat dit onbetrouwbare rietstaven zijn, die de hand doorboren van wie erop leunt. ‘Zijn jullie,’ zo getuigt de Heer bij Amos, ‘Zijn jullie voor mij niet als de Cusjieten, Israëlieten? Heb Ik Israël niet weggeleid uit het land Egypte, de Filistijnen uit Kaftor en de Syriërs uit Kir?’ Amos 9:7 Tegenover degenen die vertrouwden op valse woorden en zeiden: ‘De tempel van de Heer, de tempel van de Heer, de tempel van de Heer is dit,’ kondigt Jeremia het oordeel aan dat de Heer met dat huis, waarover zijn naam is uitgeroepen en waarop zij vertrouwden, zou doen zoals Hij met Silo gedaan had. Jer. 7:14 En wat de offers betreft, de vromen onder Israël wisten heel goed dat die op zichzelf de Heer niet aangenaam konden zijn. Ps. 40:9, 51:6 En door de mond van de profeten getuigt Hij zelf: ‘Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen en van het vet van gemest vee. Ik vind geen vreugde in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken. Ik wil barmhartigheid en geen offers.’ Jes. 1:11, 66:2-3, Jer. 6:20, Hos. 6:6, Amos 5:21, Micha 6:6-8, Spr. 15:8, 21:27 enz.
Ligt de basis voor de verwachting van de zaligheid bij de vromen van het Oude Testament dan wellicht in hun eigen gerechtigheid? Hebben ze zo’n goede hoop voor de toekomst omdat ze menen dat ze met hun goede werken in Gods oordeel kunnen bestaan? De gedachte zou een ogenblik bij ons kunnen opkomen als we zien dat zij, bijvoorbeeld Job, zo sterk overtuigd zijn van hun onschuld Job 29:12 e.v., 31:1 ev. dat ze herhaaldelijk een beroep doen op hun oprechtheid, trouw en gerechtigheid, Ps. 7:9, 18:21-22, 26:1, 26:11, 101:2 enz. dat ze telkens spreken over hun recht Job 27:2, Ps. 17:2, 26:1, 35:24, 43:1, Jes. 40:27 enz. en dat de Heer zelf hen als rechtvaardigen beschouwt. Gen. 7:1, Job 1:7, 2:3 Maar zodra we enigszins dieper doordringen, valt ook deze basis totaal weg.
Immers, dit pleiten op hun gerechtigheid wisselt bij de vromen van het Oude Testament af met de ootmoedigste belijdenis van hun zonden. Job spreekt niet alleen over de zonden van zijn jeugd, maar veracht zich aan het einde en heeft berouw in stof en as. Job 13:26, 42:6 David spreekt over zijn gerechtigheid, Ps. 7:9 maar werpt elders al zijn gerechtigheid weg, doet belijdenis voor de Heer van al zijn overtredingen en roemt alleen in de vergeving van de zonden. Ps. 32, 51 Daniël werpt zijn smeekbedes niet neer op grond van zijn gerechtigheden, maar op grond van de barmhartigheden van de Heer, die groot zijn. Dan. 9:18 Bij Jesaja belijdt het vrome Israël dat al hun gerechtigheden zijn als een bezoedeld kleed, dat ze allen dwaalden als schapen en ieder hun eigen gang gingen, maar dat de Heer de ongerechtigheid van hun allen op zijn Knecht heeft laten neerkomen. Jes. 53:4-6, 59:12, 64:6 In Psalm 130 spreekt de dichter uit dat als de Heer op de ongerechtigheden let, niemand voor zijn aangezicht kan bestaan, maar dat er bij Hem vergeving is, opdat Hij gevreesd wordt. Ps. 130:3-4 En allen zonder onderscheid erkennen Gods recht in het straffen van Israël. Zij en hun vaderen hebben gezondigd en zijn zijn stem ongehoorzaam geweest, Amos 3:2, Kl. 1:18, Ezra 9:6-7, Neh. 9:33, Dan. 9:14 enz.
Als de vromen onder Israël hun gerechtigheid noemen, dan denken ze daarbij zeer zeker ook aan hun oprechte wandel voor het aangezicht van de Heer en bidden ze zelfs of de Heer, de kenner van de harten, hen in deze oprechtheid van hen proeven en onderzoeken mag. Ps. 7:9-10, 17:3, 18:21-25 enz. Maar deze gerechtigheid van hen is toch absoluut niet bedoeld in de zin van een morele volmaaktheid, zoals de farizeeën in latere dagen daarover spraken. Nee, ze denken daarbij aan een morele gerechtigheid die haar basis en oorsprong heeft in een godsdienstige gerechtigheid, of met andere woorden: in een gerechtigheid van het geloof. Dat blijkt doordat de rechtvaardigen (oprechten, vromen) ook vaak worden voorgesteld als de armen, ellendigen, behoeftigen, trouwen, nederigen en zachtmoedigen, die de Heer vrezen en geen andere verwachting hebben dan van Hem. Het zijn dezelfde mensen die later door Jezus de armen van geest, de treurenden, de hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid, de vermoeiden en belasten, de jonge kinderen worden genoemd. Mat. 5:3 e.v., 11:25, 11:28
En het kenmerk van deze personen is niet dat ze vrij van zonden zijn, maar dat ze te midden van alle verdrukking en vervolging, waaraan ze van de kant van de wereld blootgesteld zijn, hun vertrouwen stellen op de Heer en in Hem alleen hun heil en zaligheid zoeken. Nergens is er redding voor hen, niet bij henzelf en niet bij enig schepsel, maar alleen bij de Heer hun God. Maar die God is dan ook hun God, hun zon en schild, hun toevlucht en hun veilige vesting, hun pantser, hun steenrots en burcht, hun helper en verlosser, hun roem en hun sterkte, hun één en hun al. Ps. 18:3, 73:25-26 enz. En zij zijn zijn volk, de schapen van zijn weide, zijn knechten en zijn gunstgenoten, Ps. 33:12, 95:7, 100:3 enz. die hopen op zijn heil, zich vastklemmen aan zijn woord, vreugde vinden in zijn wet en die alles alleen van Hem verwachten. Het is een volk dat niet zoals de latere farizeeën plaats neemt tegenover God en tegenover Hem zijn eisen en zijn rechten laat gelden, maar dat aan Gods zijde staat en met Hem als bondgenoot zich stelt tegenover zijn en hun vijanden.
Als dat volk nu in zijn gebed en smeekbede een beroep doet op zijn gerechtigheid en op de gerechtigheid van de Heer, dan wil het daarmee uitdrukken dat de Heer op grond van zijn verbond verplicht is om het volk dat naar zijn naam is genoemd en in vrees voor Hem wandelt, recht te doen tegenover zijn tegenstanders. Gods zaak is hun zaak en hun zaak is de zaak van God zelf. Hij heeft zijn volk uitverkoren, niet om zijn grootte en niet om zijn gerechtigheid en oprechtheid, maar omdat de Heer het vrijwillig liefhad en omwille van de eed die Hij aan de vaderen gezworen had. Deut. 7:7 e.v., 9:5-6 Het verbond met dat volk rust op zijn welbehagen alleen. Maar door dat verbond is Hij dan toch ook aan dat volk verbonden en heeft Hij, om zo te zeggen, de verplichting op zich genomen om dat volk in stand te houden, te bewaren en er heel de zaligheid aan te schenken die Hij beloofd heeft toen Hij tegen Abraham zei: ‘Ik zal mijn verbond oprichten tussen mij en jou en tussen jouw zaad na jou, al hun generaties door, als een eeuwig verbond, om voor jou een God te zijn en voor je zaad na jou.’ Gen. 17:7
Gods gerechtigheid, waarop het vrome Israël in zijn verdrukking telkens een beroep doet, is dus de deugd waardoor de Heer op grond van zijn verbond verplicht is om zijn volk te verlossen van al zijn vijanden. Het is niet zozeer een verplichting die op God rust tegenover zijn volk, want dat volk kan nergens enig recht op laten gelden. Maar het is een verplichting die op de Heer rust tegenover zichzelf. Hij is niet vrij meer. Hij heeft zich vrijwillig aan zijn volk verbonden en zo is Hij het aan zichzelf, aan zijn eigen verbond en eed, aan zijn eigen woord en belofte verschuldigd om de God van zijn volk te blijven, ondanks al hun ongerechtigheden. Daarom is er ook telkens sprake van dat God aan zijn volk de weldaden die Hij eraan beloofd heeft, schenkt omwille van zijn naam, van zijn verbond, van zijn roem, van zijn eer. Ps. 25:11, 31:4, 79:9, 106:8, 109:21, 143:11, Jes. 48:9, 49:11, Jer. 14:7, 14:21, Ezech. 20:9, 20:14, 20:22, 20:44, Dan. 9:19 enz. Al mag het volk ontrouw en afvallig zijn, Hij denkt aan zijn verbond en doet het gestand in eeuwigheid. Ps. 105:8, 111:5, Jes. 54:10 De gerechtigheid van God waarop het vrome Israël pleit, vormt geen tegenstelling met, maar is verwant aan zijn goedertierenheid en heil en is nauw verbonden met zijn waarheid en trouw. Ze legt God vast aan zijn eigen woord en belofte en verplicht Hem om zijn volk, enkel uit genade, te redden uit al zijn benauwdheden.
In overeenstemming daarmee heeft God zich in het verleden gedragen, als Hij Israël telkens weer verloste van zijn vijanden. Ex. 2:24, Rich. 2:1, Jes. 37:20 Maar Hij zal zich nog veel rijker openbaren in de toekomst, als Hij zijn koninkrijk onder hen zal oprichten. Op grond van zijn eigen gerechtigheid, omdat Hij een God van de gerechtigheid, van de trouw en van de waarheid is, zal Hij een nieuw verbond met hen sluiten, de zonden hun vergeven, de Geest over hen uitstorten en hen in zijn wegen laten wandelen. Jer. 31:31-34 enz. Maar Hij doet dat dan niet omwille van hen, maar omwille van Hemzelf, van zijn grote naam. ‘Ik, Ik ben het, die jullie overtredingen uitwis, omwille van Mijzelf, en aan jullie zonden denk Ik niet.’ Jes. 43:25 Gods gerechtigheid is de enige bron van Israëls gerechtigheid. Hij levert zelf de gerechtigheid die Israël nodig heeft. Jes. 45:24-25, 46:13, 54:17 Hij schept nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar aan de vorige dingen niet meer gedacht zal worden. Jes. 65:17 In die dagen zal Juda verlost worden en Israël veilig wonen. De heidenen zullen dan hun gerechtigheid zien en alle koningen hun heerlijkheid en ze zullen met een nieuwe naam genoemd worden, die de mond van de Heer zelf zal uitspreken en die naam zal zijn: ‘De Heer is onze gerechtigheid!’ Jes. 62:2, Jer. 23:6, 33:16




















