21.2 – Rechtvaardige mensen in het Oude Testament

0
8

Als Gods gerechtigheid echter inhoudt dat Hij strikt volgens het recht handelt en alle mensen beoordeelt volgens de maatstaf van zijn heilige wet, hoe kan dan ooit één mensenkind door God worden vrijgesproken van schuld en van Hem het recht krijgen op het eeuwige leven?

Immers, er kan geen twijfel over bestaan dat alle mensen, zonder enige uitzondering, schuldig staan aan het overtreden van Gods wet en de straf waardig zijn die Hij op die overtreding gesteld heeft. Sinds de ongehoorzaamheid van Adam heeft een stroom van ongerechtigheden de overhand gehad over het menselijk geslacht. De gedachtespinsels van het hart van de mens zijn slecht van zijn jeugd af. Gen. 6:5, 8:21 Allen worden onrein geboren. Job 14:4, 25:4-6, Ps. 51:7 En allen zijn ze afgeweken, er is niemand die goed doet, zelfs niet één. Ps. 14:3 Geen mens leeft er die niet zondigt en die zeggen kan: ‘Ik heb mijn hart gezuiverd en ben vrij van overtredingen.’ 1 Kon. 8:46, Spr. 20:9, Pred. 7:20 Als God op de ongerechtigheden let, kan niemand voor zijn aangezicht bestaan. Ps. 130:3, 143:2 Als de zaak van de mens er nu zo voorstaat, hoe kan er dan ooit sprake zijn van zijn rechtvaardiging bij God?

En toch, datzelfde Oude Testament dat de zondigheid en de doemwaardigheid van heel het menselijk geslacht zo duidelijk uitspreekt, maakt telkens melding van rechtvaardigen en oprechten van hart die er leven midden in een wereld die vervuld is met geweld. Zo wordt Noach een rechtvaardig en oprecht man onder zijn tijdgenoten genoemd. Gen. 6:9, 7:1 En Job ontvangt van God zelf het getuigenis dat niemand op de aarde was zoals hij, een man die oprecht en vroom was, die God vreesde en het kwaad meed. Job 1:1, 1:7, 2:3 In de Psalmen is er elk ogenblik sprake van een kleine groep rechtvaardigen, die tegenover de goddelozen staan en veel verdrukking van hen te verduren hebben. Ps. 1:5, 14:5, 32:11, 33:1, 34:16, 34:20 enz. De Spreuken houden zich voortdurend met diezelfde tegenstelling onder de mensen bezig. Spr. 2:20-22, 3:33, 4:18, 10:3, 10:6 enz. En de profeten maken op dezelfde manier onderscheid tussen een kleine kern van het volk, die de Heer trouw blijft, en de grote massa, die zich overgeeft aan afgoderij en ongerechtigheid. 1 Kon. 19:18, Jes. 1:8-9, 4:3, 6:5 enz. Vooral Ezechiël stelt de rechtvaardige en de goddeloze zeer scherp tegenover elkaar en denkt bij hen niet aan groepen in het volk, maar aan individuele personen. Ezech. 3:18 e.v., 18:5 e.v., 33:8 e.v.

Maar dit is het enige niet dat ons in het Oude Testament treft. Nog meer bevreemdt het dat deze rechtvaardigen (oprechten van hart, vromen of hoe ze verder ook mogen heten) absoluut niet bang zijn voor de gerechtigheid van God en nooit vrees koesteren dat ze door haar oordeel verpletterd zullen worden. Ja, voor de goddelozen zal die gerechtigheid verschrikkelijk wezen. Jes. 59:16-18, Jer. 11:20, 20:12, Ps. 7:12-13, 9:5-6, 28:4, 129:4 Maar de vromen pleiten erop en roepen die te hulp. Ze bidden om verhoring en uitredding omdat God de God van de gerechtigheid is Ps. 4:1, 143:1 en ze verwachten dat Hij, juist omdat Hij de rechtvaardige God is, die harten en nieren proeft, hen zal bevestigen, Ps. 7:10 redden, Ps. 31:2 vrijspreken, Ps. 34:23 recht doen, Ps. 35:23 vergeven, Ps. 51:16 antwoorden, Ps. 65:6 levend maken, Ps. 119:40 verhoren Ps. 143:1 en uit de benauwdheid leiden. Ps. 143:11

Dit beroep van de vromen op Gods gerechtigheid gaat dan soms nog een stap verder en neemt de voor ons bewustzijn eerst zo onbegrijpelijke vorm aan dat God hen horen en redden moet vanwege hun gerechtigheid. Job kan niet toegeven dat hij schuldig is en is zich van zijn oprechte en reine wandel bewust. Job 29:12 e.v., 31:1 e.v. Uiteindelijk wordt hij door de Heer tegenover zijn vrienden in het gelijk gesteld. Job 42:7 In de Psalmen klinkt meermalen de toon: ‘Doe mij recht, Heer, vanwege mijn gerechtigheid en vanwege mijn oprechtheid die bij mij is.’ Ps. 7:9, 17:1-5, 18:20-25, 24:4-6, 26:1, 37:18-19 enz. Bij Jesaja klaagt het volk: ‘Mijn weg is voor de Heer verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij.’ Jes. 40:27 Maar de profeet is juist naar hen gezonden om in de naam van de Heer te verkondigen dat dit niet het geval is. Want na de tuchtiging komt de verlossing. De strijd is vervuld, de ongerechtigheid is verzoend Jes. 40:2 en de Heer brengt zijn gerechtigheid dichtbij en zijn heil zal niet uitblijven. Jes. 46:13 Zoals Hij telkens in het leven van de vromen verlossend ingrijpt, hun recht voor zijn aangezicht laat uitgaan, Ps. 17:2 de rechtszaak van de ellendige en behoeftige voert, Ps. 103:6, 140:13, 146:7 zo zal Hij in het einde de rechtszaak van zijn volk voeren. Jes. 49:25, 51:22, Jer. 50:34, 51:36, Micha 7:9 Hij zal zijn heilige arm voor de heidenen ontbloten, een woord van gerechtigheid uit zijn mond laten uitgaan en zijn volk door gerechtigheid bevestigen. Jes. 45:23, 51:5, 52:10, 54:15 Hij is een rechtvaardig God en daarom een Heiland. Jes. 45:21 In Hem zijn rechtvaardige daden en kracht. Uit Hem is hun gerechtigheid. In de Heer zal heel het zaad van Israël gerechtvaardigd worden en zich beroemen. Jes. 45:24-25, 54:17

Duidelijk blijkt dus uit het Oude Testament dat er niet alleen rechtvaardigen onder Israël zijn, maar dat die ook hun heil en zaligheid juist verwachten van Gods gerechtigheid. Ons doet dit min of meer vreemd aan, omdat wij een tegenstelling maken tussen Gods gerechtigheid en Gods barmhartigheid. En we stellen het dan zo voor dat we door Gods gerechtigheid veroordeeld, maar door zijn barmhartigheid behouden worden. Maar de vromen van het Oude Verbond maken zo’n tegenstelling niet. Zij brengen Gods gerechtigheid zeer nauw in verband met met zijn genade en barmhartigheid, met zijn goedertierenheid en waarheid, met zijn liefde en trouw. Ps. 33:5, 40:11, 51:16, 89:15, 103:17, 143:11-12, 145:7, 145:17, Jer. 9:24, Hos. 2:18 De Heer is genadig en rechtvaardig. Ps. 112:4, 116:5 Verlossingen zijn bewijzen van zijn gerechtigheid. Rich. 5:11, 1 Sam. 12:7, Micha 6:5 En daarom is die gerechtigheid, niet minder dan Gods barmhartigheid, voor de vromen een object van voortdurende lof en prijs. Ps. 7:18, 22:32, 35:28, 40:10, 51:16, 71:15, 71:19 enz.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in