De weldaad van de rechtvaardiging door het geloof alleen bevat voor de christen een rijke troost. De vergeving van zijn zonden, zijn hoop voor de toekomst, zijn zekerheid over de eeuwige zaligheid hangen niet af van de graad van heiligheid die hij in het leven heeft bereikt, maar liggen vast in de genade van God en in de verlossing die in Christus Jezus is. Als ze haar vastigheid moest ontlenen aan de goede werken van de christen, dan zouden ze altijd, tot aan de dood toe, onzeker blijven. Want ook de allerheiligsten hebben nog maar een klein stukje van de volmaakte gehoorzaamheid en de gelovigen zouden steeds door vrees en angst heen en weer worden bewogen, nooit kunnen staan in de vrijheid waarmee Christus hen heeft vrijgemaakt en, omdat ze toch niet zonder elke zekerheid kunnen leven, de toevlucht moeten nemen tot kerk en priester, tot altaar en sacrament, tot godsdienstplichten en boetedoeningen. Dat is de toestand van duizenden christenen, zowel buiten als in de roomse kerk. Zij verstaan de heerlijkheid en de troost van de vrije rechtvaardiging niet.

Maar de gelovige wiens oog voor de rijkdom van deze weldaad is ontsloten, ziet het anders in. Hij is tot de ootmoedige erkenning gekomen dat goede werken, of die nu uit gemoedsaandoeningen, zielservaringen of uiterlijke handelingen bestaan, nooit de basis voor het geloof zijn en kunnen zijn, maar alleen de vruchten ervan kunnen zijn. Zijn heil en zaligheid ligt vast, buiten hem, in Christus Jezus en zijn gerechtigheid en kan daarom nooit meer wankelen. Zijn huis is op de steenrots gebouwd en kan het geweld van de slagregens, van de waterstromen en van de winden doorstaan. Natuurlijk is er ook van deze belijdenis, net als van elk artikel van het geloof, misbruik mogelijk. Als het geloof dat Christus en zijn gerechtigheid aanneemt, opgevat wordt als een verstandelijke toestemming van een historische waarheid, dan blijft de mens daar koud, onverschillig en dood bij. En dan brengt hij uit dat geloof geen goede werken voort, maar neemt hij er ook inderdaad de persoon van Christus niet mee aan. Maar het echte geloof dat de mens, door schuldbesef getroffen en verslagen, naar Christus zelf uitdrijft, dat klemt zich vast aan de genade van God en aan die genade alleen, dat roemt in vrije schuldvergeving en brengt op datzelfde ogenblik ook al goede werken voort.
Ja, dit geloof, dat enkel en alleen op Gods genade in Christus steunt en zich daardoor van de vergeving van de zonden bewust is, alleen dat geloof is in staat tot het doen van werkelijk goede werken. Want zolang we de vergeving van onze zonden geheel of voor een deel laten afhangen van de gemoedsaandoeningen die we genieten en van de goede daden die we tot stand brengen, zolang verkeren we nog min of meer in angst en vrees. We zijn dan nog geen kinderen, die het goede uit liefde doen, maar we zijn nog dienaren, die het doen voor loon. We volbrengen het goede dan nog niet zuiver en alleen om het goede zelf – dat is: om Gods wil – maar nog min of meer uit eigenbelang, om er zelf gunst mee te verwerven en om ons aangenaam te maken in de ogen van God. Maar dat alles verandert als we door het geloof verstaan dat onze zaligheid uitsluitend in Gods genade en in de gerechtigheid van Christus rust. Dan laten we het oprichten van een eigen gerechtigheid los en vermoeien we ons niet langer met het werken aan onze eigen zaligheid, want die liggen onwankelbaar vast in Christus Jezus. En in de zekerheid van die zaligheid in Christus kunnen we nu al onze aandacht wijden aan het doen van goede werken om daardoor onze Vader te verheerlijken. We volbrengen ze dan niet meer om onszelf, maar omwille van de Heer. We behoren Christus toe, die uit de doden is opgewekt opdat we voor God vruchten zouden dragen. Rom. 7:4 We zijn door de wet aan de wet gestorven, opdat we voor God zouden leven. Gal. 2:19 Dat zijn pas werkelijk goede werken, die uit het geloof, volgens Gods wil en tot zijn eer gebeuren.
De vrijheid van de christen, waar hij door de rechtvaardiging deel aan krijgt, houdt dan ook in dat hij ontslagen wordt van de eis en de vloek van de wet. De gelovige wordt niet vrij van de wet in de zin dat hij kan gaan leven volgens het goeddunken van zijn hart, dat hij, zoals men het tegenwoordig noemt, zichzelf kan uitleven overeenkomstig de neiging en richting van zijn zondige natuur. Integendeel, de gelovige wordt veel vaster aan de wet gebonden dan vroeger het geval was. Want het geloof doet de wet niet teniet, maar bevestigt haar. Rom. 3:31 Haar recht wordt vervuld in hen die niet volgens het vlees wandelen, maar volgens de Geest. Rom. 8:4 Zij die aan de zonde gestorven zijn, hoe zouden zij nog in de zonde kunnen leven? Rom. 6:2 Maar de verhouding waarin de gelovige tot de wet komt te staan, is een heel andere dan waarin hij vroeger tegenover haar geplaatst was. Hij blijft aan haar gebonden als regel voor de dankbaarheid. Vrij is hij echter van haar eis en haar vloek.
In dit opzicht hebben de gelovigen van het Nieuwe Testament zelfs veel vóór op die van het Oude Verbond. In het Oude Testament wordt de religie doorgaans nog omschreven als vrees voor de Heer en de gelovigen heten vaak knechten van de Heer. Zij waren wel kinderen, maar onmondige kinderen en daarom gelijk aan dienaren, onder voogden en verzorgers gesteld tot de tijd die door de Vader bepaald was. Gal. 4:1-2, 3:23-24 Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet. Gal. 4:4 Door zelf in onze plaats alle gerechtigheid te vervullen, Mat. 4:15 door een vloek te worden voor ons Gal. 3:13 en zichzelf voor ons tot zonde te laten maken, 2 Kor. 5:21 heeft Christus ons van de vloek van de wet verlost en ons volkomen bevrijd van haar eis. We zijn niet meer met haar getrouwd, we zijn haar dienaren niet meer, we zijn door haarzelf aan haarzelf gestorven en zijn nu dienaren van Christus en leven voor God. Rom. 7:1-4, Gal. 2:19 We zijn niet meer onder de wet, maar onder de genade. Rom. 6:15 We staan in de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt. Gal. 5:1 Voor ons geldt niet meer de regel: ‘Doe dat en je zult leven,’ maar is de orde geheel omgekeerd: we leven door het geloof en doen de wet omdat we er wat betreft de innerlijke mens plezier in hebben. Zo is de wet tegenover de gelovigen machteloos geworden. De wet kan hen niet meer aanklagen, want de schuld ervan is door Christus gedragen en de eis ervan door Christus vervuld. De wet kan hen niet meer veroordelen, want Christus heeft de vloek ervan op zich genomen en alle straffen ervan ondergaan. Satan zelf kan zich er niet meer van bedienen om de broeders aan te klagen, want wie kan een beschuldiging inbrengen tegen Gods uitverkorenen, als God zelf hen rechtvaardigt en de gestorvenen en verheerlijkte Christus in de hemel voor hen bidt?
En met de verandering die de rechtvaardiging in de verhouding van de gelovigen tot de wet, tot haar eis en vloek, heeft aangebracht, verandert ook hun verhouding tot alle dingen en tot heel de wereld. Als we met God verzoend zijn, worden we met alle dingen verzoend. Als we tot God in de juiste verhouding staan, dan komen we ook recht tegenover heel de wereld te staan. De verlossing in Christus is een verlossing van de schuld en straf van de zonde, maar ook van de wereld, die ons zo drukken en benauwen kan. De Vader heeft immers de wereld liefgehad en Christus heeft haar overwonnen, zodat ze ons nog wel kan verdrukken, maar niet de goede moed kan benemen. Joh. 16:33 Als kinderen van de hemelse Vader zijn de gelovigen niet bezorgd wat ze zullen eten en wat ze zullen drinken en waarmee ze zich zullen kleden. Want Hij weet dat ze al die dingen nodig hebben. Mat. 6:25 e.v. Ze verzamelen geen schatten op aarde, maar hebben hun schat in de hemel, waar mot noch roest ze aantast en waar de dieven niet inbreken of stelen. Mat. 6:19-20 Als ze onbekenden zijn, zijn ze toch bekend. Als ze sterven, leven ze. Als ze gestraft worden, worden ze niet gedood. Als ze droevig zijn, zijn ze toch altijd blij. Als ze arm zijn, maken ze toch velen rijk. Als ze niets hebben, bezitten ze toch alles. 2 Kor. 6:9-10 Ze kwellen zich niet met het ‘pak niet en proef niet en raak niet aan’, maar beschouwen alles wat God geschapen heeft als goed en nemen het met dankzegging aan. Kol. 2:20, 1 Tim. 4:4 Ze blijven en arbeiden in de roeping waarin ze geroepen zijn en zijn geen dienaren van mensen, maar alleen van Christus. 1 Kor. 7:20-24 Ze zien in de beproevingen die hun overkomen geen straf, maar een tuchtiging en een bewijs van Gods liefde. Heb. 12:5-8 Ze staan vrij tegenover alle schepselen, omdat niets hen kan scheiden van de liefde van God, die in Christus Jezus, hun Heer is. Rom. 8:35, 8:39 Ja, alles is het hunne, omdat zij van Christus zijn 1 Kor. 3:21-23 en alle dingen moeten meewerken voor het goede voor hen die God liefhebben en volgens zijn voornemen geroepen zijn. Rom. 8:28
De gelovige die in Christus gerechtvaardigd is, is het vrijste schepsel ter wereld. Althans, zo zou het moeten zijn.




















