21.1 – Gods gerechtigheid

0
18

Wedergeboorte die in de vruchten van geloof en bekering tot openbaring komt, ontsluit de toegang tot het koninkrijk van God. En wie burger van dat koninkrijk is, krijgt meteen deel aan al de goederen die er de inhoud van zijn en die onder een drietal kunnen worden samengevat: gerechtigheid, heiligheid en zaligheid. Hier komt de eerste van deze heerlijke weldaden ter sprake.

Gerechtigheid wordt gewoonlijk omschreven als de standvastige en bestendige wil van een redelijk wezen die aan ieder het zijne geeft. Ze sluit dan in de eerste plaats een morele gezindheid (hoedanigheid, gesteldheid) in van de persoon aan wie ze wordt toegekend en in de tweede plaats een houding tegenover en een behandeling van andere personen die uit die gezindheid voortvloeit en hen erkent in de rechten die hun toekomen. Hoewel de Schrift in deze gerechtigheid nu, zoals we zullen zien, een eigenaardige wijziging brengt, gaat ze toch uit van dezelfde basisgedachte. Gerechtigheid is rechtvaardigheid die een persoon zelf bezit en rechtvaardige behandeling die hij anderen geeft.

In deze zin schrijft al het Oude Testament aan God gerechtigheid toe. Hij is de rotssteen, wiens werk volmaakt is, want al zijn wegen zijn een en al recht. God is waarheid en geen onrecht, rechtvaardig en recht is Hij. Deut. 32:4 Maar deze gerechtigheid wordt in de Schrift niet afgeleid uit een speculatie over het goddelijk wezen. Deze gerechtigheid wordt God toegekend op grond van zijn openbaring. Zo heeft Hij zich vanaf het begin aan zijn volk laten kennen. Hij heeft niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats van de aarde, en niet tegen het zaad van Jakob gezegd: ‘Zoek Mij tevergeefs.’ Hij is de Heer die gerechtigheid spreekt, die rechtvaardige dingen verkondigt. Terwijl de heidenen een God aanbidden die niet verlossen kan, heeft Hij zichzelf aan Israël bekendgemaakt als Jehova, buiten wie er geen God is, een rechtvaardig God en een Heiland. Jes. 45:1-21 Als de rechtvaardige Heer woont Hij in het midden van Israël. Hij doet geen onrecht, maar brengt elke morgen zijn recht aan het licht. Zef. 3:5

Die gerechtigheid van God kwam allereerst uit in de wetten die Hij aan zijn volk gaf. Bij ons houdt de rechtvaardigheid in dat we in ons wezen en in ons handelen met een wet overeenkomen. Maar in deze zin kan er bij God van rechtvaardigheid geen sprake zijn. Want er staat geen wet boven Hem, waaraan Hij beantwoorden moet. Zijn rechtvaardigheid houdt in dat Hij volmaakt met zichzelf overeenstemt. Daarentegen hebben alle bepalingen en wetten in Hem hun oorsprong. En al deze wetten zijn rechtvaardig omdat Hij ze gaf, in overeenstemming met zijn eigen wezen en wil. Welk groot volk is er, vroeg Mozes eenmaal, dat zulke rechtvaardige verordeningen en bepalingen heeft als heel deze wet is, die ik vandaag voor jullie aangezicht geef? Deut. 4:8 En de vromen antwoordden daarop: ‘De wet van de Heer is volmaakt, ze bekeert de ziel. Het getuigenis van de Heer is betrouwbaar, ze geeft de eenvoudige wijsheid. De bevelen van de Heer zijn recht, ze verblijden het hart. Het gebod van de Heer is zuiver, het verlicht de ogen. De vrees voor de Heer is rein, ze bestaat tot in eeuwigheid. De bepalingen van de Heer zijn waarheid, samen zijn ze rechtvaardig. Ze zijn begeerlijker dan goud, ja dan veel zuiver goud, en zoeter dan honing uit de raat. Ps. 19:8-11, 119

Maar verder wordt Gods gerechtigheid openbaar doordat Hij deze wetten handhaaft en van zijn volk eist dat het in overeenstemming daarmee zal leven. Al aan de eerste mens legde Hij zijn gebod op. Gen. 2:16 En ook na de val laat Hij niets vallen van het recht dat Hij op alle schepselen heeft. Zijn gerichten, zoals de zondvloed en de spraakverwarring, zijn daarvan al het bewijs, maar Hij houdt alle heidenen in hun geweten gebonden aan zijn wet. Rom. 1:20, 1:32, 2:15 Vooral echter legt Hij beslag op zijn volk Israël, dat hij uit vrije liefde aannam als zijn eigendom en dat daarom zijn verbond moet houden, zijn stem moet gehoorzamen en in zijn wegen moet wandelen. Ex. 19:5 Daarmee eist de Heer niets onbillijks van zijn volk, want Hij had van zijn kant alles aan zijn wijngaard gedaan en verwachtte nu dat die goede druiven zou voortbrengen. Jes. 5:4 De Heer had hun bekendgemaakt wat goed was. En wat eiste Hij nu anders van hen dan recht doen, goedertierenheid liefhebben en ootmoedig wandelen met hun God? Micha 6:8, Amos 5:14-15, Jes. 1:16-17

Ten slotte komt zijn gerechtigheid aan het licht doordat Hij alle volken en ook zijn volk Israël strikt volgens het recht oordeelt en oordelen zal. God is wetgever en koning, maar ook rechter, Jes. 33:22 rechter van heel de aarde, die niets anders dan recht kan doen. Gen. 18:25 Soms wordt wel tegenover het klagende volk, dat God veroordeelt om zelf rechtvaardig te zijn, Job 40:3 de absolute soevereiniteit van zijn handelen gehandhaafd en er de nadruk op gelegd dat alle bewoners van de aarde als niets worden geacht en dat God met het leger in de hemel en de bewoners van de aarde doet volgens zijn wil, zodat niemand zijn hand kan wegslaan of tegen Hem kan zeggen: ‘Wat doet U?’ Dan. 4:35 Immers, Hij is de Formeerder van alle dingen, met wie geen schepsel in discussie kan gaan, Jes. 45:9 de pottenbakker, in wiens hand Israël is als klei. Jer. 18:6, Jes. 10:15 Maar deze uitspraken dienen absoluut niet om God voor te stellen als een tiran, die naar willekeur te werk gaat. Ze roepen de mens op om zich te verootmoedigen en te bukken onder de hoogheid van Gods gedachten en de onbegrijpelijkheid van zijn wegen. Jes. 55:8-9 Geweldig is zijn majesteit en machtig is zijn kracht. Toch onderdrukt Hij niet, maar Hij geeft acht op de mens en handelt met hem volgens het recht. Job 36:5, 37:23

En dat kan Hij doen omdat Hij alwetend en strikt rechtvaardig is. Bij de aardse rechters is het dikwijls heel anders gesteld en daarom worden ze telkens in het Oude Testament vermaand om in de rechtspraak niet partijdig te zijn, Deut. 1:17, Lev. 19:15, Spr. 24:23 om geen geschenk aan te nemen, Deut. 16:19, Ex. 23:8, Jes. 5:23 om de arme en de vreemdeling, de wees en de weduwe niet te onderdrukken, Ex. 23:6, 23:9, Ps. 82:2-4, Jes. 1:12 om de rechtvaardige vrij te spreken en de goddeloze te veroordelen en over het volk recht te spreken met een rechtvaardige rechtspraak. Deut. 16:19, 25:1 Want wie de goddeloze vrijspreekt en de rechtvaardige veroordeelt, zijn voor de Heer een gruwel, allebei. Spr. 17:15, 17:26, 18:5, 24:24 De Heer echter is de rechtvaardige rechter. Hij heeft rechtvaardige daden lief, Ps. 11:7, 33:5, 99:4, Jer. 9:23 zijn rechterhand is vol gerechtigheid, Ps. 48:11 gerechtigheid en recht zijn het fundament van zijn troon. Ps. 89:14, 97:2 Hij is onpartijdig, kent geen aanzien des persoons en neemt geen geschenk aan, Deut. 10:17, 2 Kron. 19:7 want rijken en armen zijn allen het werk van zijn handen. Job 34:19 En Hij blijft ook niet bij de buitenkant staan, maar ziet het hart aan. 1 Sam. 16:6, 1 Kron. 28:9 Hij beproeft de harten en de nieren Ps. 7:10, Jer. 11:20, 20:12 en zal eenmaal de wereld oordelen in gerechtigheid en over de volken op billijke wijze rechtspreken. Ps. 9:9, 96:13, 98:9 Hij zal verhoogd worden door het recht en geheiligd worden door gerechtigheid. Jes. 5:16

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in