De verandering die door deze werking van de Heilige Geest in de mens teweeggebracht wordt, draagt de naam wedergeboorte. Het woord komt niet alleen en ook niet het eerst in de Schrift voor, maar was van oude tijden af in de godsdienst van de Indiërs gebruikelijk om er de verandering mee aan te duiden die elke ziel bij de dood ondergaat. Volgens de Indiërs leeft de ziel immers na de dood niet verder in een afgescheiden toestand, maar gaat ze meteen in een ander lichaam over, óf van een mens, óf van een dier of een plant, afhankelijk van hoe zij zich in haar vorig lichaam gedragen heeft. Elke geboorte voert naar de dood, maar elke dood leidt ook weer tot een nieuwe geboorte. Elk mens is onderworpen aan een eeuwenlang doorgaande reeks van ‘wedergeboorten’, dat is: van inwoningen van zijn ziel in telkens andere lichamen. En verlossing van deze verschrikkelijke wet en van al het lijden van de wereld is er volgens het boeddhisme alleen wanneer de mens in zichzelf de dorst naar het zijn weet te stillen en door allerlei werken van onthouding aan zijn eigen vernietiging, of in elk geval aan de verdoving van zijn bewustzijn arbeidt. Uit Indië is deze leer van de ‘wedergeboorten’ in de oudheid, maar ook weer in de vorige eeuw naar Europa overgeplant. En nu zijn er niet weinigen die daarin de kern van alle wijsheid zien.

Maar de Schrift spreekt over de wedergeboorte in een heel andere zin. Zij gebruikt dit zelfstandig naamwoord op twee plaatsen. Eenmaal in Mattheüs 19:28, waar Jezus bij wedergeboorte denkt aan de wereldvernieuwing die aan het rijk van de heerlijkheid vooraf zal gaan, en een nog een keer in Titus 3:5, waar Paulus zegt dat God ons zalig gemaakt heeft, niet op grond onze werken, maar volgens zijn barmhartigheid, door middel van het bad van wedergeboorte en vernieuwing door de Heilige Geest. Het is moeilijk uit te maken of Paulus bij dit bad aan de doop denkt, als een teken en zegel van de wedergeboorte, dan wel of hij de weldaden van wedergeboorte en vernieuwing door de Heilige Geest zelf vergelijkt met en voorstelt onder het beeld van een bad waarin de gelovigen zijn neergedaald. Maar hoe dan ook, de toevoeging ‘vernieuwing door de Heilige Geest’ bewijst dat we hier bij wedergeboorte aan een geestelijke, morele verandering moeten denken, die bij de gelovigen in hun bekering heeft plaatsgevonden. Het verband bevestigt deze opvatting. Want vroeger waren zij die nu gelovigen zijn onwijs, ongehoorzaam, dwalende enzovoort, Tit. 3:3 maar nu zijn ze zalig gemaakt, herboren en vernieuwd en overeenkomstig de hoop erfgenamen van het leven geworden. Tit. 3:4-7 En dus worden ze vermaand om voor te gaan in goede werken, Tit. 3:8 waar ze juist door de wedergeboorte en vernieuwing de bekwaamheid voor en de zin in hebben ontvangen.
Al komt echter het zelfstandig naamwoord wedergeboorte slechts twee keer in de Schrift voor, de zaak zelf komt vaak onder andere woorden en beelden ter sprake. Het Oude Testament al vermaant het volk van Israël dat ze niet moeten roemen in het uiterlijke teken van de besnijdenis, maar dat ze de voorhuid van hun harten moeten besnijden en hun nek niet meer moeten verharden. Deut. 10:16 En het belooft dat de Heer hun God zelf hun hart zal besnijden en het hart van hun zaad, om de Heer hun God lief te hebben met heel hun hart en met heel hun ziel. Deut. 30:6 De belofte is in de geschiedenis van Israël bij de vromen in vervulling gegaan, Ps. 51:12 maar ze zal een nog veel rijkere vervulling verkrijgen in de toekomst, wanneer God een nieuw verbond met zijn volk zal sluiten, de Geest over allen zal uitstorten, hun een nieuw hart van vlees zal schenken en zijn wet in hun binnenste zal schrijven. Jer. 24:7, 31:31-34, 32:39, Ezech. 11:19, 36:26-28, Joël 2:28 e.v. enz.
Als die toekomst daagt en het koninkrijk van de hemelen dichtbij is gekomen, treedt daarom Johannes de Doper op met de eis van de bekering als voorwaarde voor de toegang tot het koninkrijk. Het volk van Israël is immers, ondanks al zijn uiterlijke voorrechten, door en door bedorven. Het heeft, ondanks zijn besnijdenis, de doop nodig, de doop van de bekering tot vergeving van de zonden, waarin de mens volledig wordt ondergedompeld om als een ander mens en tot een nieuw leven op te staan. Mat. 3:2 e.v. En Jezus neemt diezelfde prediking van bekering en geloof op de lippen, ondergaat zelf de doop en dient hem ook toe aan allen die zijn leerlingen willen zijn. Mar. 1:14-15, Joh. 4:1-2 Wie het koninkrijk wil binnengaan, moet met heel zijn vroegere leven breken, zijn ziel verliezen, Mat. 10:39, 16:25 alles verlaten, Luk. 14:33 zijn kruis opnemen en Hem volgen, Mat. 10:38 een kind worden, Mat. 8:3 met schuldbelijdenis naar de Vader terugkeren, Luk. 15:18 door de nauwe poort en langs de smalle het eeuwige leven binnengaan. Mat. 7:14 Wie dat doet, wordt daarvoor door God zelf bekwaam gemaakt, want de mensen zijn slecht. Mat. 7:11 Uit hun hart komt niets dan ongerechtigheid voort. Mat. 15:19 Zoals een slechte boom, kunnen ze geen goede vruchten voortbrengen. Mat. 7:17 e.v. Zal er dus van goede vruchten sprake kunnen zijn, dan moet de boom vooraf goed gemaakt worden en dat kan God alleen. Mat. 19:26 Kinderen van God en burgers van het hemelrijk zijn zij die, als een plant, door de hemelse Vader geplant zijn, Mat. 15:13 aan wie de Zoon de Vader en de Vader de Zoon heeft geopenbaard, Mat. 11:27, 13:11, 16:17 Terwijl ze vroeger geestelijk dood waren, hebben ze nu deel aan het echte leven en hebben ze een eeuwig leven te verwachten. Mat. 8:22, Luk. 15:24, 18:30
In heel dit onderwijs van Christus, zoals de eerste drie evangeliën het ons meedelen, komt het woord wedergeboorte niet voor. Maar wat wedergeboorte is, wordt er helder in voorgesteld. Dus als Jezus in zijn gesprek met Nicodemus zegt dat niemand Gods koninkrijk kan zien en binnengaan tenzij hij opnieuw (van boven), uit water en Geest geboren wordt, Joh. 3:3-8 dan komt Hij niet met het onderwijs in de andere evangeliën in strijd. Hij vat tegenover de leraar Nicodemus slechts kort en scherp samen wat Hij elders breder en in meer populaire vorm heeft uiteengezet. Nicodemus was namelijk een aanzienlijk man, een leraar van Israël, een lid van het Sanhedrin. Hij had van Jezus’ wonderen gehoord en hield Hem daarom voor een leraar die door God was gezonden. Maar hij was nog niet beslist, hij verkeerde nog in twijfel en begaf zich, om niet het wantrouwen en de vijandschap van de Joden op te wekken, ’s nachts naar Jezus, om door een vertrouwelijk gesprek met Hem tot zekerheid te komen of Hij inderdaad de Messias was. Nicodemus begint het gesprek dus met de erkenning dat hij Jezus houdt voor een leraar die van God gekomen en voor zijn werken door God bekwaam gemaakt is. En hij wil daaraan nu blijkbaar de vraag verbinden wat een mens moet doen om het koninkrijk van de hemelen binnen te gaan. Maar Jezus laat hem geen tijd om die vraag te stellen en antwoordt meteen: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: tenzij iemand geboren wordt van boven, kan hij Gods koninkrijk niet zien.’ En Hij snijdt daarmee bij Nicodemus ineens elk mensenwerk, elk farizees in acht nemen van de wet als weg naar het koninkrijk af.
Daarom spreekt Jezus ook niet letterlijk over een opnieuw (voor de tweede keer) geboren worden, maar over een geboren worden van boven. De nadruk valt er niet op dat er voor het binnengaan van het koninkrijk een tweede geboorte nodig is (hoewel de wedergeboorte natuurlijk ook zo heten kan). Nee, Jezus wil tegenover Nicodemus vooral in het licht stellen dat alleen een geboorte van boven, Joh. 3:3 uit water en Geest, Joh. 3:5 uit de Geest, Joh. 3:8 de toegang tot het koninkrijk ontsluit. Deze geboorte staat tegenover die uit het vlees, want wat uit vlees geboren is, dat is vlees. Joh. 3:6 Ze is niet uit het bloed, niet uit de wil van het vlees en evenmin uit de wil van de man, maar uit God. Joh. 1:13 Daarom is ze even onbegrijpelijk in haar oorsprong en richting als de wind. Maar ze is toch mogelijk, want ze is een geboorte uit de Geest. Joh. 3:8 Nadat Jezus eerst in het algemeen gezegd had dat ze een geboorte is uit water en Geest (beide zonder lidwoord), Joh. 3:5 spreekt Hij uitdrukkelijk over de Geest (met het lidwoord), Joh. 3:7-8 om aan te geven dat deze Geest, als de Geest van God, dit grote werk van geboorte van boven tot stand kan brengen. Bij het water Joh. 3:5 denkt Jezus dan ook niet aan de doop, maar Hij omschrijft er de natuur van de geboorte van boven mee. Het is een geboorte die het karakter draagt van een vernieuwing en reiniging (waarvan het water beeld is, Ezech. 36:25 vergelijk de verbinding van Geest en vuur) Mat. 3:11 en het bestaan schenkt aan een nieuw, geestelijk leven. En dat kan deze geboorte van boven bewerken, omdat ze een geboorte is uit de Geest, uit God zelf. Joh. 3:6-8
Andere plaatsen in het Nieuwe Testament breiden dit fundamentele onderwijs van Christus nog uit. De wedergeboorte is een werk van God. Hij is het uit wie de gelovigen geboren zijn, Joh. 1:13, 1 Joh. 3:9, 5:18 die hen effectief roept, Rom. 8:30 hen uit de dood levend maakt, Ef. 2:1 hen voortbrengt Jak. 1:17 en opnieuw geboren laat worden. 1 Pet. 1:3 Maar Hij schenkt deze weldaad alleen in de gemeenschap met Christus, aan wie Hij de zijnen gegeven heeft, Joh. 6:37, 6:39 tot wie Hij ze trekt, Joh. 6:44 in wie Hij ze inlijft, Rom. 6:4, Ef. 2:1, Gal. 2:20 en door de gave van de Heilige Geest, die in het hart van de mens doordringt en de oorsprong van het nieuwe leven is. Joh. 3:3, 3:5, 3:8, 6:63, Rom. 8:9, 1 Kor. 12:3, 1 Pet. 1:2 Op grond van deze geboorte uit God zijn de gelovigen dus zijn maaksel, geschapen in Christus, Ef. 2:10 zijn akker en gebouw, 1 Kor. 3:9 een nieuw schepsel. 2 Kor. 5:17 De wedergeboorte is niet een werk van de kracht van de mens, geen product van een langzame, geleidelijke ontwikkeling van het natuurlijke leven, maar een breuk met het oude bestaan en het scheppende begin van een nieuw, geestelijk leven, het afsterven van de oude en het opstaan van de nieuwe mens. Rom. 6:3 e.v.
Toch is de wedergeboorte aan de andere kant geen tweede schepping geheel uit niets, maar een herschepping van de mens die door de geboorte uit zijn ouders het bestaan ontvangen heeft. Bij de wedergeboorte blijft hij in wezen dezelfde mens, hetzelfde ik, dezelfde persoonlijkheid. Paulus zegt van zichzelf dat hij met Christus is gekruisigd en dus zelf niet meer leeft, maar Christus in hem. Maar dan gaat hij meteen zo verder: ‘Voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God.’ Gal. 2:20 Zijn ik is met Christus gekruisigd en gestorven, maar het is ook meteen met Christus weer opgestaan. Het is niet vernietigd en door een ander vervangen, maar het is herboren en vernieuwd. En zo zegt hij ook over sommige gelovigen in Korinthe dat ze vroeger ontuchtplegers, afgodendienaars, overspelers enzovoort waren, maar ze zijn schoongewassen, geheiligd en gerechtvaardigd in de naam van de Heer Jezus en door de Geest van onze God. 1 Kor. 6:10-11 De continuïteit, de eenheid en de samenhang van het menselijk wezen wordt door de wedergeboorte niet afgebroken, maar ze brengt er toch een belangrijke verandering in aan.
Deze verandering is van geestelijke aard. Wat uit geest geboren is, dat is geest, Joh. 3:6 dat leeft uit en wandelt volgens de Geest. De wedergeboorte stort een principe van nieuw leven in, dat de Heilige Geest scheppend voortbrengt in aansluiting aan de opstanding van Christus, uit wie Hij alles neemt. 1 Pet. 1:3 Ze plant een zaad in het hart, 1 Pet. 1:23, 1 Joh. 3:9 waaruit een hele, nieuwe mens opkomt. Ze begint op een heel geheimzinnige en verborgen manier en heeft haar middelpunt in de kern van de persoonlijkheid van de mens, in zijn ikheid zelf, Gal. 2:20 maar ze breidt zich vandaar uit tot alle vermogens van de mens, tot zijn verstand Rom. 12:2, 1 Kor. 2:12, Ef. 4:23 en hart, Heb. 8:10, 10:16, 1 Pet. 3:4 tot zijn wil Rom. 7:15-21 en genegenheden, Rom. 7:22 tot zijn geest en ziel en lichaam. 1 Thes. 5:23, Rom. 6:19 Een volkomen mens wordt er geboren, die, hoewel hij nog niet volwassen is en nog tegen allerlei zonden van het vlees moet strijden, Gal. 5:17 toch in nieuwheid van de Geest wenst te wandelen. Rom. 6:4, 7:6
Volgens die nieuwe mens gerekend, zijn de gelovigen herschapen volgens het evenbeeld van Christus, in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Rom. 8:29, Ef. 4:24, Kol. 3:10 Ze dragen niet meer het beeld van de aardse mens, van de eerste Adam, maar vertonen het beeld van de tweede mens, de Heer uit de hemel. 1 Kor. 15:48-49 Ze zijn voor de wereld gekruisigd en leven niet meer voor zichzelf, maar voor Hem, die voor hen gestorven en opgewekt is. 2 Kor. 5:15, Gal. 2:20, 6:14 Ze hebben een ander centrum voor al hun denken en arbeiden ontvangen, want ze leven, bewegen zich en zijn in Christus, hebben zich in de doop met Hem gekleed, vertonen zijn gestalte en worden steeds meer volgens zijn beeld veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heer bewerkt wordt. 2 Kor. 3:18, Gal. 3:27, 4:19 En in die gemeenschap met Christus zijn ze kinderen van de hemelse Vader, die God en de broeders liefhebben en eens aan God gelijk zullen zijn, omdat ze Hem zullen zien zoals Hij is. 1 Joh. 3:2, 5:2 enz. Zo rijk en heerlijk spreekt de Heilige Schrift over de wedergeboorte. En ze doet dit niet in de eerste plaats, opdat we rechtzinnig over haar leer zouden denken, maar opdat we aan deze grote weldaad van Gods genade persoonlijk deel zouden krijgen en als kinderen van God in deze slechte wereld wandelen zouden. Wat een kracht zou er van de gemeente uitgaan als ze het beeld van Christus niet maar in haar belijdenis beschreef, maar ook in de praktijk van het leven te zien gaf aan allen die rondom haar zijn.



















