De aard van deze innerlijke roeping wordt ons in de Heilige Schrift op allerlei manieren toegelicht. Weliswaar gebruikt ze deze term niet, maar ze brengt de zaak die erdoor wordt aangeduid telkens onder onze aandacht. Alleen al de natuur geeft ons opheldering over wat in de genade gebeurt. De schepping heldert de herschepping op, zoals de laatste over de eerste weer haar licht laat schijnen. Jezus zette de aard, de eigenschappen, de wetten van het koninkrijk van de hemelen uiteen in gelijkenissen, waarvoor Hij de stof ontleende aan de natuur en aan het dagelijks leven. Vooral in de gelijkenis van de zaaier bracht Hij de verschillende werking aan het licht, die door het woord van het evangelie wordt uitgeoefend in de harten van de mensen.

Op natuurlijk gebied heerst nu de wet dat er voor alle waarneming en kennis een bepaald verband noodzakelijk is tussen de mens en het object dat hij wil waarnemen en kennen. Om te zien is er niet alleen een object, maar ook een geopend oog nodig en bovendien een licht dat beide bestraalt. Om te horen zijn er niet slechts luchttrillingen en klanken nodig, maar moet de mens ook een ontsloten oor hebben om deze klanken op te vangen. En achter deze beide zintuigen is er, om de zin van de objecten die we zien en van de klanken die we horen inderdaad te verstaan, nog een hart nodig om op te merken. We moeten verwant zijn aan dat wat we waarnemen om het werkelijk in ons op te nemen en ons geestelijk eigendom te maken. Een blinde kan niet zien, een dove kan niet horen, maar ook: een onverschillige kan niet verstaan, een onmuzikaal mens begrijpt de wereld van de tonen niet en wie elk schoonheidsgevoel mist, kan zich niet verlustigen in een dicht- of schilderstuk. Er moet een bepaalde relatie aangeknoopt, een harmonieus verband gelegd worden tussen de mens en de wereld, zal er van waarneming en kennis sprake kunnen zijn.
Nu is op natuurlijk gebied dat verband in het algemeen nog blijven bestaan. Wel heeft de zonde ook hier haar werking doen voelen, zodat het bij de blinden, de doven, de krankzinnigen en vele andere ongelukkigen haast geheel verbroken en bij alle mensen zonder onderscheid min of meer verzwakt en gestoord is. Maar in het algemeen kun je zeggen dat God dat verband op natuurlijk gebied nog heeft laten bestaan. De mens kan nog zien en horen, waarnemen en denken, leren en kennen.
Maar op geestelijk gebied is dat verband door de zonde geheel verbroken. De gedachtespinsels van het hart van de mens zijns slecht van zijn jeugd af. Gen. 8:21 Een rund kent zijn bezitter en een ezel de voerbak van zijn eigenaar, maar Israël heeft geen kennis en het volk van de Heer verstaat niet. Jes. 1:3 Het geslacht van de mensen is gelijk aan de kleine kinderen, die op de markten zitten en hun metgezellen toeroepen en zeggen: ‘We hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebben niet gedanst, we hebben voor jullie klaagliederen gezongen en jullie hebben niet gehuild.’ Mat. 11:16-17 Ze hebben geen ogen om te zien, geen oren om te horen, geen harten om te verstaan. Jes. 6:9, Mat. 13:14-15 Zelfs als God zich aan hen openbaart in de natuur, hebben ze Hem niet gekend noch gedankt Rom. 1:21 en als Hij zich aan hen openbaart in het evangelie, verstaan ze de dingen van Gods Geest niet, ergeren ze zich aan de dwaasheid van het kruis en slaan ze de hielen tegen de prikkels. Hand. 9:5, 1 Kor. 1:23, 2:14 De mens is van nature dood voor God, voor zijn openbaring, voor alle geestelijke en hemelse dingen. Hij stelt er geen belang in, is er onverschillig voor, bedenkt alleen dingen die beneden zijn en heeft geen zin in het kennen van de wegen van de Heer. De band tussen God en mens is verbroken. Er is tussen beiden geen geestelijke verwantschap en gemeenschap meer.
Daarom houdt de innerlijke roeping in het algemeen in dat ze die verbroken band weer herstelt en de mens opnieuw geestelijk aan God verwant maakt, zodat hij Gods woord weer horen wil en verstaan kan. De Schrift duidt deze werking van de Heilige Geest in de innerlijke roeping zelfs aan met de naam openbaring. Als Simon Petrus in het gebied van Caesarea Filippi Jezus als de Christus, de Zoon van de levende God belijdt, dan zegt de Heiland tegen hem: ‘Zalig ben je, Simon Barjona, want vlees en bloed heeft je dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is.’ Mat. 16:17 En zo getuigt ook de apostel Paulus dat het bij zijn bekering God behaagd heeft zijn Zoon in hem te openbaren. Gal. 1:16 Onder deze openbaring moeten we niet de objectieve verschijning van Christus verstaan. Want toen Petrus Hem als de Christus beleed, had de Heiland al jarenlang op aarde geleefd en gearbeid. Ook had Hij zichzelf al meermalen als de Messias bekendgemaakt bv. Mat. 11:5 e.v. en was Hij als zodanig ook al door anderen erkend. Mat. 8:29, 14:33 Maar zo helder en beslist als nu door Petrus was Jezus nog nooit eerder als Messias en Zoon van God beleden en daarom zegt Hij dan ook dat alleen een subjectieve openbaring, in het hart en het bewustzijn van Petrus, hem tot zo’n ferme en heldere belijdenis kon brengen. God zelf verlichtte de apostel innerlijk zo dat hij nu in Christus zag wat hij nog nooit eerder zo duidelijk in Hem aanschouwd had.
Met andere woorden, de openbaring die hier bedoeld wordt, bestaat dus uit een innerlijke verlichting. In natuurlijke dingen wordt ons oog verlicht door de zon en dan verlicht het op zijn beurt heel het lichaam, zoals een kaars het huis verlicht. Mat. 6:23 Verstand en rede in de mens worden verlicht door het woord, dat bij God was, dat alle dingen heeft gemaakt, dat het licht voor de mensen was en nog ieder mens verlicht als het in de wereld komt. Joh. 1:1-9 En door die verlichting in zijn bewustzijn kan de mens de wereld waarnemen, onderzoeken en kennen. De wijsheid van de mens verlicht dan zijn aangezicht. Pred. 8:1 Zó is er nu ook een verlichting op geestelijk gebied. De dichter bad er al om in de oudtestamentische dagen, toen hij zei: ‘Ontsluit mijn ogen, neem het deksel ervan weg, opdat ik de wonderen van uw wet aanschouwen mag.’ Ps. 119:18 En in het Nieuwe Testament spreekt Paulus over een openbaring, Gal. 1:16 maar elders ook over een verlichting, die hem te beurt gevallen is. God, die de Schepper is van het licht, heeft ook in zijn hart geschenen, opdat hij als apostel in de prediking van Christus Gods heerlijkheid voor anderen zou laten schijnen en hen zo tot kennis daarvan zou leiden. 2 Kor. 4:6, vg. Ef. 3:9
Elders wordt deze activiteit van de Heilige Geest in de innerlijke roeping omschreven als een openen door de Heer Christus van het hart Hand. 16:14 of van het verstand, Luk. 14:45 zodat het woord van God in zijn eigenlijke zin verstaan en aangenomen wordt. Ook wordt ze wel voorgesteld als een groei, die God aan het door de apostelen gepredikte woord schenkt. 1 Kor. 3:5-9 Want de apostelen zijn maar dienaren, medearbeiders van God, instrumenten in zijn hand, zodat zij het eigenlijk niet zijn die arbeiden, maar Gods genade, die met hen is. 1 Kor. 15:10 Ja, zij zijn eigenlijk niets, maar God is alles, want Hij geeft aan het zaad van het woord de groei en de gemeente is dus volledig zijn akker en gebouw. Trouwens, zo’n kracht als er nodig is om een dode zondaar levend te maken, heeft geen enkel schepsel, geen engel of apostel in de hand. Er is niet minder dan goddelijke, almachtige kracht voor nodig, dezelfde kracht die Christus uit de doden opgewekt heeft.
Immers, voor de gelovigen in Efeze bidt de apostel Paulus of God hun voortdurend de Geest van de wijsheid en van de openbaring mag geven, zodat ze Hem kennen, en of Hij de ogen van hun verstand (hun hart) verlichten mag, opdat ze in de eerste plaats weten welke geweldige hoop en verwachting God schenkt aan degenen die Hij geroepen heeft, in de tweede plaats welke rijkdom van de heerlijkheid van de erfenis hen in de toekomst onder de heiligen wacht en in de derde plaats welke de alles overtreffende grootheid van zijn kracht is, die Hij tentoonspreidt voor de gelovigen, vanaf het begin van hun roeping, door heel hun leven heen tot in de heerlijkheid toe. Van de grootheid van deze kracht kunnen ze zich enige voorstelling vormen door die te meten aan de kracht die God gewerkt heeft in Christus, toen Hij Hem uit de doden opgewekt en ver boven alle macht en naam gezet heeft aan zijn rechterhand in de hemelen. In de roeping, wedergeboorte, bewaring en verheerlijking van de gelovigen wordt dezelfde kracht van God openbaar als in de opwekking, de hemelvaart en de verhoging van Christus. Ef. 1:17-20
Geheel in overeenstemming met de Heilige Schrift belijdt de gereformeerde kerk daarom dat, wanneer God zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert en de ware bekering in hen tot stand brengt, Hij hun niet alleen uiterlijk het evangelie laat prediken en hun verstand krachtig door de Heilige Geest verlicht, opdat ze de dingen van de Geest goed zouden begrijpen en onderscheiden. Hij dringt ook door tot in het diepst van de mens met de krachtige werking van diezelfde Geest, die de wedergeboorte werkt. En die werking is, volgens de woorden van dezelfde belijdenis, een geheel bovennatuurlijke, een zeer krachtige en tegelijk zeer zoete, wonderlijke, verborgen en onuitsprekelijke werking, die volgens het getuigenis van de Schrift (die door de auteur van deze werking is ingegeven) in haar kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking van de doden (Dordtse Leerregels III/IV.11-12).




















