20.7 – De uiterlijke roeping is onvoldoende

0
7

Maar welke kracht en waarde heel deze uiterlijk roeping ook hebben mag, ze is op zichzelf toch onvoldoende om het hart van de mens te veranderen en hem effectief te bewegen tot een gelovig aannemen van het evangelie. Deze ontoereikendheid van de uiterlijke roeping moet dan echter goed worden verstaan. Het evangelie dat erdoor verkondigd wordt, is als evangelie niet onvoldoende, want het bevat heel de raad van de verlossing, stalt Christus met al zijn weldaden voor onze ogen uit en heeft geen aanvulling van zijn inhoud meer nodig. Ook is het geen dode letter, die door de Geest levend gemaakt moet worden en ook geen lege klank of zinloos teken, dat geen wezenlijk verband heeft met de zaak die er door wordt aangeduid. Want Paulus zegt wel van de dienaren dat ze niets zijn, 1 Kor. 3:7 omdat ze door anderen vervangen of zelfs geheel gemist kunnen worden. Maar zo spreekt hij absoluut niet over het evangelie. Integendeel, dat is een kracht van God tot zaligheid, Rom. 1:16, 1 Kor. 15:2 geen woord van mensen, maar een woord van God, 1 Thes. 2:13 levend en krachtig, Joh. 6:63, Heb. 5:12, 1 Pet. 1:25 dat in zekere zin altijd zijn werk doet, want als het niet een levensgeur is die naar het leven leidt, dan is het een doodsgeur die naar de dood leidt. 2 Kor. 2:16 Christus, die de inhoud van het evangelie is, laat niemand neutraal. Hij brengt een crisis, een oordeel, een scheiding in de wereld Joh. 3:19, 9:39 en maakt door zijn woord, dat tot het binnenste van de mens doordringt, de neigingen en gedachten van het hart openbaar. Luk. 2:35, Heb. 4:12 Hij wordt een steen des aanstoots voor wie Hem als rots van het behoud afwijzen. Hij is dwaasheid voor degenen die Hem als wijsheid verwerpen. En Hij leidt tot de val van hen bij wie Hij niet tot hun opstanding leidt. Luk. 2:34, 1 Kor. 1:18, 1 Pet. 2:7

Maar deze dubbele werking van het woord van het evangelie bewijst juist dat het verschil in uitkomst bij degenen die het aannemen en bij hen die het verwerpen, niet uit dat woord zelf, zonder meer, en dus niet uit de uiterlijke roeping verklaard kan worden. Wel is het evangelie, door wie en tot wie het ook gebracht wordt, altijd een woord van God, levend en krachtig. Maar de uitdrukking woord van God heeft in de Schrift absoluut niet altijd dezelfde betekenis. Soms betekent het de kracht van God, waardoor Hij de wereld schept en onderhoudt. Gen. 1:3, Ps. 33:6, Mat. 4:4, Heb. 1:3 Een andere keer is het de naam voor de bijzondere openbaring, waardoor God iets aan de profeten bekend maakt. Jer. 1:2, 1:4, 2:1 enz. En ook wordt het meermalen gebruikt om de inhoud van die openbaring aan te duiden, ongeacht of die dan uit wet of evangelie bestaat. Ex. 20:1, Luk. 5:1 enz. In het laatste geval blijft het woord wel een woord van God, wat zijn inhoud aangaat, maar het wordt toch niet rechtstreeks en onmiddellijk door God gesproken, zoals het woord dat van zijn mond uitgaat bij de schepping en onderhouding van alle dingen. Het is namelijk gekleed in de vorm van het menselijk woord, kan door mensen uitgesproken en neergeschreven worden en heeft dus als het ware een zelfstandig bestaan gekregen. Ook in deze zin blijft het volgens zijn inhoud een levend en krachtig woord, maar het deelt als woord toch in de eigenschappen van elk menselijk woord en kan als zodanig slechts een morele werking uitoefenen. Deze morele werking moeten we niet geringachten. Die is veel sterker dan een louter verstandelijke onderwijzing. Want het woord van het evangelie is niet alleen een bron voor onze kennis van God en goddelijke zaken, maar het is ook een genademiddel.

Maar zo’n verstandelijke en godsdienstig-morele werking van het evangelie is juist niet voldoende. Die zou voldoende zijn wanneer de mens niet gevallen was of door de val niet van zijn geestelijke vrijheid was beroofd. Maar de Schrift getuigt en de ervaring bevestigt iedere dag dat de mens in zijn verstand verduisterd is, Ef. 4:18, 5:8 in zijn wil door de zonden gebonden, Joh. 8:34, Rom. 6:20 en dood in zonden en misdaden. Ef. 2:2-3 Hij kan daarom Gods koninkrijk niet zien, Joh. 8:3 de dingen van Gods Geest niet vatten, 1 Kor. 2:14 zich aan Gods wet niet onderwerpen Rom. 8:7 en uit zichzelf niets goeds bedenken of doen. Joh. 15:5, 2 Kor. 3:5 Het evangelie mag dan voor de mens zijn, het is niet volgens de mens, niet in overeenstemming met zijn wensen en gedachten. Gal. 1:11 En daarom wordt het door hem, als hij aan zichzelf wordt overgelaten, altijd verworpen en tegengestaan.

Maar de rijkdom van Gods genade is nu dat Hij ondanks dat bij degenen die Hij voor het eeuwige leven heeft uitverkoren, aan de roeping door het woord de werking van zijn Geest verbindt. Al in het Oude Testament was de Geest van de Heer de werkmeester en de leidsman van het geestelijke leven. Ps. 51:12, 143:10 Maar vooral wordt Hij daar nog beloofd als degene die in de dagen van het Nieuwe Verbond allen zou onderwijzen, hun een nieuw hart zou schenken en in dat hart de wet van de Heer zou schrijven. Jes. 32:15, Jer. 31:33, 32:39, Ezech. 11:19, 36:26, Joël 2:28 Daartoe werd Hij dan ook op de Pinksterdag uitgestort. Hij moest met en door de apostelen getuigen van Christus en dan verder in de gemeente wonen om haar opnieuw geboren te laten worden, Joh. 3:5 haar te brengen tot de belijdenis van Jezus als haar Heer, 1 Kor. 12:3 haar te troosten en te leiden en eeuwig bij haar te blijven Joh. 14:16, Rom. 8:14, Ef. 4:30 enz. en zo ook om van de gemeente uit in de wereld door te dringen en haar te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. Joh. 16:8-11

Niet alleen objectief, maar ook subjectief is het werk van de verlossing Gods werk en het zijne alleen. Het is niet van degene die wil en ook niet van degene die loopt, maar van de ontfermende God. Rom. 9:6 Er is een uiterlijke roeping, die naar velen komt, Mat. 22:14 maar er is ook een innerlijke, effectieve roeping, die een uitvloeisel van de verkiezing is. Rom. 8:28-30 God schenkt niet alleen het evangelie, maar Hij laat het ook prediken in kracht en in de Heilige Geest 1 Kor. 2:4, 1 Thes. 1:5-6 en geeft zelf de groei. 1 Kor. 3:6-9 Hij opent het hart, Hand. 16:14 verlicht het verstand, Ef. 1:18, Kol. 1:9-11 buigt de wil Hand. 9:6 en werkt zowel het willen als het werken volgens zijn welbehagen. Fil. 2:13

Dat degenen die zo geroepen worden bij Christus komen en bekeerd worden, dat moeten we dus niet aan de mens toeschrijven, alsof hij zichzelf door zijn vrije wil zou onderscheiden van anderen. Nee, we moeten het aan God toeschrijven, die, zoals Hij de zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, diezelfden ook in de tijd effectief roept, hun het geloof en de bekering schenkt, hen uit de macht van de duisternis verlost en hen overbrengt naar het rijk van zijn Zoon, opdat ze de deugden zouden verkondigen van degene die hen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, en opdat zij niet in zichzelf, maar in de Heer zouden roemen, zoals de apostolische geschriften telkens getuigen (Dordtse Leerregels III/IV.10).

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in