20.6 – De uiterlijke roeping

0
3

Maar voordat het goed recht van dit onderscheid betoogd wordt, dient er sterk de nadruk op te vallen dat de bedoeling ervan zeker niet is om op enige manier de zogenaamde uiterlijke roeping van haar kracht of waarde te beroven.

Want in de eerste plaats is en blijft deze roeping van Gods kant ernstig en welgemeend. Zovelen er door het evangelie geroepen worden, worden er ernstig geroepen. Want in zijn Woord uit God ernstig en waarachtig wat Hem aangenaam is, namelijk dat de geroepenen bij Hem komen. En Hij belooft ook met ernst aan allen die bij Hem komen en geloven, de rust voor hun zielen en het eeuwige leven (Dordtse Leerregels III/IV.8). Wie het onderscheid tussen uiterlijke en innerlijke roeping aannemen, kennen aan de eerste nog altijd dezelfde kracht en betekenis toe die volgens de mening van de bestrijders van dit onderscheid aan heel de roeping toekomt. Ze brengen de mensen door dit onderscheid niet in een ongunstiger toestand dan waarin volgens de verwerpers van dit onderscheid alle mensen verkeren. Want het woord van het evangelie, waarin die uiterlijke roeping naar hen toe komt, is geen dode letter, maar een kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft, Rom. 1:16 levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, Heb. 4:12 het middel voor de wedergeboorte. 1 Pet. 1:23 Het is hetzelfde woord waarvan God zich bij de innerlijke roeping bedient en het is zelfs niet volledig van elke werking van de Geest verstoken. Want de Heilige Geest getuigt niet alleen in de harten van de gelovigen dat zij kinderen van God zijn, Rom. 8:16 maar Hij dringt ook beschuldigend door in de gewetens van degenen die Hij overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Joh. 16:8-11 En Calvijn sprak daarom niet ten onrechte van een lagere werking van de Geest, die met de uiterlijke roeping gepaard gaat.

Als gevolg daarvan gebeurt in de tweede plaats de verwerping van deze roeping nooit zonder schuld. Wie het evangelie afwijzen, kunnen zich niet beroepen op hun onmacht, want ze verwerpen het niet omdat ze machteloos zijn. Dan zouden ze immers gaan pleiten op Gods genade, die het evangelie hun aanbiedt. Nee, ze verwerpen het integendeel omdat ze zich sterk voelen, zichzelf menen te kunnen redden en buiten Gods genade om menen zalig te kunnen worden. Dat er velen die door het evangelie geroepen zijn, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan ligt de schuld dus niet in het evangelie, niet in Christus, die door het evangelie aangeboden wordt, en evenmin in God, die door het evangelie roept en zelfs ook als Hij roept verschillende gaven meedeelt. Nee, de schuld ligt bij degenen die geroepen worden. Sommigen van hen zijn zorgeloos en nemen het woord van het leven niet aan. Anderen nemen het wel aan, maar niet in het binnenste van hun hart en daarom is het dat ze na een kortstondige blijdschap van het tijdelijk geloof weer terugwijken. Anderen verstikken het woord door de doornen van de vele zorgen en lusten van de wereld en brengen geen vruchten voort. Dat leert onze Zaligmaker in de gelijkenis van het zaad (Dordtse Leerregels III/IV.9).

En in de derde plaats is ook deze uiterlijke roeping niet zonder vrucht. In het algemeen kan ervan gezegd worden dat God er zijn bedoeling mee bereikt. Want ook voor zijn woord in deze uiterlijke roeping geldt dat het niet leeg terugkeert, maar dat het alles doet wat Hem behaagt en dat het voorspoedig is in alles waarvoor Hij het zendt. Jes. 55:11 Hij handhaaft er het recht mee op zijn schepsel en bereikt er de eer mee van zijn naam. Maar verder is het absoluut niet onverschillig hoe de mensen zich tegenover deze uiterlijke roeping gedragen. Onder de heidenen is er groot verschil ten opzichte van de houding die ze tegenover de roeping door de natuur aannemen. Socrates en Plato kun je niet in één adem noemen met Caligula en Nero. En zo is het ook bepaald niet hetzelfde of het evangelie bespot en gelasterd dan wel met een historisch of tijdelijk geloof wordt aangenomen. Weliswaar bestaat er tussen deze beide soorten van geloof en het zaligmakend geloof van het hart een wezenlijk verschil. Maar daarom staan ze toch niet op één lijn met volslagen ongeloof. Integendeel, ze zijn vruchten van Gods algemene genade en brengen vele tijdelijke zegeningen mee. Ze leggen de mensen onder het beslag van de waarheid, weerhouden hen van vele verschrikkelijke zonden, laten hen een ingetogen eerbaar leven leiden en dragen in rijke mate bij tot de vorming van de christelijke maatschappij, die voor het leven van de mensheid en voor de invloed van de gemeente van de grootste betekenis is.

Bovenal verdient het de aandacht dat deze uiterlijke roeping vaak in Gods hand dienst doet als een middel om het werk van de genade in de harten van de zijnen voor te bereiden. Er is zeer zeker geen voorbereidende genade in de zin dat de uiterlijke roeping zonder sprong verder gaat in de innerlijke roeping of dat de natuurlijke mens langzamerhand tot een kind van God opgroeit. Want evenmin als in de natuur is er in de genade een geleidelijke overgang van dood naar leven of van duisternis naar licht. Maar wel is er een voorbereidende genade als daaronder verstaan wordt dat God, die de Werkmeester van alle genade is, tegelijk de Schepper is van de natuur en tussen beide een verband legt dat Hij voortdurend in stand houdt. Bij de uitvoering van de raad van de verlossing wandelt Hij in het spoor dat Hij zelf door het werk van de schepping en de voorzienigheid getrokken heeft. Zoals Hij in een Zacheüs de begeerte werkte om Jezus te zien Luk. 19:3 en verslagenheid teweegbracht onder de menigte die Petrus hoorde, Hand. 2:37 zo verzorgt en regeert Hij de zijnen ook vóór het uur waarin Hij zijn genade in hen verheerlijkt en leidt Hij hen zelf met zijn almachtige hand naar dat uur toe.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in