De roeping door het woord gaat die door de natuur zeer ver te boven. Want terwijl de laatste de mens alleen de stem van de wet laat horen en hem de eis voorhoudt: ‘Doe dat en je zult leven,’ gaat de roeping door het woord van Christus uit, heeft die Gods genade als inhoud en biedt die de mens de rijkste weldaden aan: vergeving van de zonden en eeuwig leven, gratis, langs de weg van geloof en bekering. Als je alleen let op de inhoud van deze roeping, zou je een ogenblik de verwachting kunnen koesteren dat ze bij het horen meteen door alle mensen met vreugde ontvangen en met een blij hart zal worden aangenomen. Want wat kan een mens, die een zondaar is en de ondergang tegemoet gaat, tegen hebben op een evangelie dat hem verzekert van Gods genade en hem de volkomen zaligheid wil schenken, zonder enige arbeid van zijn kant dan alleen dat hij deze blijde boodschap met een kinderlijk geloof moet aannemen?

Maar de werkelijkheid leert ons heel anders. Alle eeuwen door is er een scheiding geweest tussen degenen die de Heer dienen en degenen die Hem niet dienen. In het gezin van Adam gingen Abel en Kaïn al uiteen. Het menselijk geslacht vóór de zondvloed was onderscheiden in de lijn van Seth en die van Kaïn en na de zondvloed ging deze scheiding in het geslacht van Sem en van zijn broer verder. De families van de aartsvaders zagen de tegenstelling opkomen tussen Izak en Ismaël, tussen Jakob en Ezau en straks die tussen Israël en de volken. Zelfs onder het volk van het verbond waren het niet allen Israël die vleselijk van Abraham afstamden, maar werden de kinderen van de belofte als het zaad gerekend. Rom. 9:6-8 En in de dagen van het Nieuwe Testament worden we voor hetzelfde feit geplaatst. Velen worden er geroepen, maar weinigen zijn er uitverkoren. Mat. 22:14 Er is niet alleen een scherpe tegenstelling tussen gemeente en wereld, maar in de gemeente zelf zijn er duizenden die wel hoorders, maar geen daders zijn van het Woord. Jak. 1:22 Al zou men zelfs heel het christendom verwerpen, men raakt toch deze tegenstelling niet kwijt. Want er zijn en er blijven overal goeden en slechten, rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Er is onder de mensen niet alleen verschil in rang en stand, in gave en kracht, in rijkdom en eer, maar er bestaat onder hen nog een veel dieper liggend godsdienstig en moreel verschil.
Dit feit van de ongelijkheid spreekt zo sterk en draagt tegelijk zo’n ernstig karakter dat ieder ermee rekenen moet. Maar er zijn altijd velen geweest die deze morele ongelijkheid, net als elk ander verschil onder de mensen, hebben proberen te verklaren uit de hun geschonken vrije wil. Ze stellen het dan zo voor dat de wil van de mens, ondanks de zonde, vrij is gebleven en de kracht heeft behouden om het goede te doen. Of ook dat hij, hoewel door de zonde min of meer verzwakt, toch door de algemene verlichting van het Woord (de Logos) Joh. 1:9 of door de genade van de Heilige Geest, die vóór of in de doop geschonken wordt, versterkt is en voldoende kracht heeft ontvangen om de roepstem van het evangelie op te volgen.
Afgezien van het onderwijs van de Heilige Schrift, is deze verklaring echter al op zichzelf volstrekt onaannemelijk. Volgens deze verklaring zou het niet God, maar zouden het de mensen zijn die tussen elkaar onderscheid maken. Maar als God God is, dan ligt daarin opgesloten dat zijn raad over alle dingen gaat, dat Hij de Schepper van hemel en aarde is en dat Hij door zijn voorzienigheid alle schepselen onderhoudt en regeert. Het is een absurde gedachte dat Hij heel de natuur zou beheersen en alle dingen, tot zelfs in kleinigheden toe, zou regelen en dat Hij het grote, alles beheersende en tot in de eeuwigheid toe doorwerkende feit van de geestelijke ongelijkheid onder de mensen van zijn raad en voorzienigheid zou hebben uitgesloten en aan de mensen zou hebben overgelaten om zelf te beslissen. Wie deze gedachte koestert, doet in principe Gods raad en voorzienig bestel teniet, onttrekt heel de wereldgeschiedenis aan Gods hand, maakt haar uitkomst wisselvallig, berooft haar van haar bestemming en doel en schrijft aan God een met zijn wezen en werken strijdige, een passieve en afwachtende houding toe.
Maar het geestelijk onderscheid onder de mensen is wel het belangrijkste, maar lang niet het enige. Er is allerlei verschil onder de schepselen, ook en voornamelijk onder de schepselen die met rede zijn begaafd. Mensen verschillen in rang en stand, in geslacht en leeftijd, in gaven van de ziel en krachten van het lichaam. Ze verschillen ook doordat ze binnen of buiten de grenzen van het christendom geboren worden en al dan niet de roepstem van het evangelie vernemen kunnen. Al deze verschillen laten zich niet verklaren uit de wilsbeslissingen en gedragingen van de mensen, want ze gaan eraan vooraf en hebben er vaak zwakker of sterker invloed op. Als je hierbij echter niet in het welbehagen van God wil rusten en een verklaring blijft zoeken in het verschillende gedrag van de mens, dan moet je de toevlucht nemen tot onmogelijke veronderstellingen. De luthersen bijvoorbeeld wilden in het feit dat de ene mens onder het licht van het evangelie geboren werd en de ander niet, geen vrije beschikking van God erkennen, maar hielden vol dat de roeping door het woord in de tijd van Adam, Noach en ook van de apostelen (met beroep vooral op Romeinen 10:18 en Kolossenzen 1:23) aan alle volken bekend was geweest en door eigen schuld weer verloren was gegaan. Op dezelfde lijn ligt de gedachte die al bij Origenes voorkomt en tegenwoordig weer door velen gedeeld wordt, dat de menselijke zielen oorspronkelijk door God tegelijk en gelijk zijn geschapen, maar dat ze, afhankelijk van het verschillende gedrag in hun vóórbestaan, hier op aarde een verschillend lichaam en lot hebben ontvangen.
Al deze veronderstellingen laten de moeilijkheden die zich hier voordoen nog toenemen en dragen niets wezenlijks ter verklaring bij. Ook hier is geen rust voor de mens voordat hij rust aan Gods vaderhart en in zijn vrij en onbegrijpelijk welbehagen de diepste grond voor de ongelijkheid onder de schepselen erkent. Van de verschillende toedeling van de algemene en de bijzondere roeping ligt de oorzaak niet in de waardigheid van het ene volk boven het andere, of in het beter gebruik van het licht van de natuur, maar in het geheel vrije welbehagen en de onverdiende liefde van God (Dordtse Leerregels III/IV.7). En ditzelfde geldt voor de geestelijke ongelijkheid die zich voordoet tussen hen die de roepstem van het evangelie met een gelovig hart aannemen en degenen die haar afwijzen en hun eigen wegen verkiezen te gaan. Niet de mensen zijn het, maar God is het die hier onderscheid maakt. De roeping zelf, waarmee Hij naar de een en waarmee Hij naar de ander komt, is verschillend. In de roeping door het Woord is opnieuw op grond van de Schrift onderscheid te maken tussen een uiterlijke en een innerlijke roeping.



















