20.4 – Algemene en bijzondere roeping

0
10

Wanneer wet en evangelie nu op deze manier onderscheiden zijn, dan volgt daaruit dat ook de algemene roeping, die in natuur en geweten naar alle mensen komt, en de bijzondere roeping, die allen bereikt die onder het christendom leven, niet gradueel, maar ook wezenlijk van elkaar verschillen. Het verschil is niet slechts dat het christendom ons een betere, volmaaktere wet laat kennen dan die aan de heidenen bekend is. Nee, het komt vooral uit in dat het christendom ons iets nieuws verkondigt, dat het ons het evangelie brengt en in dat evangelie ons met de persoon van Christus bekendmaakt. Niet in de wet alleen, maar vooral in het evangelie van Gods genade ligt het onderscheid tussen heidendom en christendom, tussen algemene en bijzondere openbaring, tussen de roeping waar alle mensen in delen en de roeping waar alleen de christenen in delen.

Deze beide roepingen werden in vroeger tijd gewoonlijk onderscheiden als een ‘zakelijke’ en een ‘woordelijke’ roeping. De algemene roeping, die zich tot alle mensen richt, is namelijk niet in een letterlijk, helder en duidelijk woord van God vervat, maar ligt verhuld opgesloten in de openbaring die God ook nog aan de heidenen, in de werken van zijn handen en in hun eigen rede en geweten, te beurt doet vallen en moet daaruit door hun eigen onderzoek en nadenken worden afgeleid. Maar zodra ze dat probeerden, raakten ze, zowel in de godsdienst als in de morele wet, aan het dwalen. Buiten de bijzondere openbaring hebben de mensen, hoewel ze God kennen, Hem toch niet verheerlijkt of gedankt, maar zijn ze dwaas gemaakt in hun overwegingen en hun onverstandig hart is verduisterd. Ze zijn vervallen tot allerlei afgoderij en immoraliteit. Rom. 1:21 e.v.

De openbaring in de natuur en de roeping in de rede en het geweten van de mens bleken dus totaal onvoldoende te zijn. In de bijzondere openbaring spreekt God daarom niet meer door de ‘zaken’, door de natuur van de schepselen, tot de mens, maar gaat Hij zich bedienen van het eigenlijke, letterlijke woord, dat de mens zelf gebruikt als hoogste en beste uiting van zijn gedachten. Dit ingebruiknemen van het woord bij de bijzondere openbaring was trouwens ook nog om een andere reden noodzakelijk. De natuur, zowel buiten als in de mens, blijft altijd dezelfde. De hemelen vertellen nu nog op dezelfde manier Gods eer als duizenden jaren geleden. En ondanks alle ontwikkeling en beschaving is de mens nu nog in zijn wezen en natuur, in zijn hart en geweten volkomen gelijk aan zijn oudste voorvaderen.

Maar de bijzondere openbaring ligt niet in de natuur besloten. Ze is langs historische weg, in een eeuwenlange geschiedenis tot stand gekomen en heeft haar middelpunt in de historische persoon van Christus. Geen natuur kan ons redden, alleen een persoon kan ons helen. Maar van historische feiten en personen, die ons niet zoals de natuur altijd blijven omringen, maar die komen en gaan, verschijnen en verdwijnen, kunnen we volgens Gods bestel nooit iets te weten komen dan door middel van het woord, of dit nu gesproken of geschreven, in letters of in andere tekens is vervat. Uit het karakter van de bijzondere, historische openbaring vloeit dus voort dat ze het woord in dienst moet nemen om zichzelf van generatie tot generatie en van oord tot oord bekend te maken. De algemene roeping gebeurt door de natuur, de bijzondere roeping bedient zich van het woord. De een heeft alleen de wet, de ander voornamelijk het evangelie als inhoud.

Het evangeliewoord begon zijn loop al bij het paradijs. God heeft het zelf het eerst in het paradijs geopenbaard, heeft het daarna door de heilige aartsvaders en profeten laten verkondigen en door de offers en andere rituelen van de wet vooraf laten uitbeelden en heeft het ten slotte door zijn eniggeboren Zoon vervuld. En daarbij bleef het niet. Hij heeft dat woord van het evangelie ook laten optekenen in de boeken van het Oude en Nieuwe Testament en vervolgens de bewaring, verkondiging, uitlegging, verdediging en verbreiding ervan aan de kerk toevertrouwd, opdat het bekend zou worden aan alle schepselen.

Op dezelfde dag waarop de kerk van Christus deze taak ontvangt en een begin maakt met de uitvoering ervan, vindt de uitstorting van de Heilige Geest plaats. En omgekeerd, op hetzelfde ogenblik waarop de Heilige Geest de gemeente zijn woning maakt, slaat het geboorte-uur van de kerk als zelfstandige gemeenschap van de gelovigen, als draagster van het woord van het evangelie, als pijler en fundament van de waarheid. Hoewel ze voorbereidend vroeger al verenigd waren, verbinden Woord en Geest zich op de Pinksterdag definitief en volledig met elkaar. Ze werken samen in dienst van Christus, die de Koning van de kerk en de Heer van de Geest is, die ons in het Woord voor de ogen geschilderd en door de Geest meegedeeld wordt. Waarheid en genade gaan met elkaar gepaard, want Christus is van beide vol. Joh. 1:14

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in