20.3 – Wet en evangelie

0
25

Dit algemene spreken van God, dat in natuur en geweten tot ons komt, verschilt van de bijzondere roeping, dat het woord van het evangelie bevat en dat zich richt tot allen die leven binnen de grenzen van het christendom. De algemene roeping wordt echter in deze bijzondere prediking niet afgeschaft en tenietgedaan, maar er juist in opgenomen en erin versterkt. Dit wordt alleen al bewezen doordat de Heilige Schrift, die het woord van de bijzondere openbaring is, de algemene openbaring in natuur en geschiedenis erkent, bevestigt en van alle valse bijmengsels reinigt. Dat de hemelen Gods eer vertellen en het uitspansel het werk van zijn handen is, Ps. 19:2 dat de onzichtbare dingen van God vanaf de schepping van de wereld uit de schepselen worden gekend Rom. 1:20 en dat het werk van de wet in het hart van de mensen geschreven staat, Rom. 2:15 dat wordt door de christen, die uit de Schrift onderwezen is, nog veel beter verstaan dan door hem die alleen bij het licht van de rede moet leven.

Maar veel sterker spreekt nog het feit dat de morele wet, die de heidenen slechts onvolkomen en onzuiver bekend was, weer zuiver en volmaakt door God op de Sinaï is afgekondigd en aan zijn volk Israël is voorgehouden als een regel voor het leven. Toen Christus op aarde kwam, heeft Hij deze wet niet afgeschaft, maar vervuld, Mat. 5:17 allereerst in zijn eigen persoon en leven, maar vervolgens ook in het leven van allen die zijn voetstappen volgen en wandelen in de Geest. Rom. 3:31, 8:3, 11:8-10, Gal. 5:14 Volgens dit voorbeeld gaf de christelijke kerk in haar belijdenis, prediking en onderwijs aan de wet evengoed een plaats als aan het evangelie. Wet en evangelie zijn dan ook de twee bestanddelen van Gods Woord. Ze zijn onderscheiden, maar nooit gescheiden. Ze vergezellen elkaar heel de Schrift door, van het begin tot het einde van de openbaring. Het onderscheid tussen wet en evangelie is dus een heel ander onderscheid dan dat tussen Oud en Nieuw Testament. Wel wordt het daarmee verward of vereenzelvigd door allen die in de wet een onvolmaakt evangelie en in het evangelie een volmaakte wet zien. Maar toch zijn beide onderscheidingen onderling zeer verschillend en dus kunnen we ze ook nauwkeurig uit elkaar houden. Oud en Nieuw Testament zijn de namen voor twee opeenvolgende bedelingen in één en hetzelfde genadeverbond en als gevolg daarvan voor de beide groepen Bijbelboeken, die elk een bedeling van dit genadeverbond als inhoud hebben. Maar het onderscheid tussen wet en evangelie verplaatst ons op een heel ander terrein. Deze namen duiden niet twee bedelingen van eenzelfde verbond, maar twee geheel verschillende verbonden aan. De wet hoort eigenlijk bij het zogenaamde werkverbond, dat met de eerste mens werd opgericht en hem het eeuwige leven beloofde langs de weg van volkomen gehoorzaamheid. Maar het evangelie is de afkondiging van het genadeverbond, dat pas na de val aan de mens bekend werd gemaakt en hem het eeuwige leven uit genade, door het geloof in Christus, schenkt.

Het genadeverbond is echter toch weer niet de afschaffing en vernietiging, maar juist de vervulling van het werkverbond. Het verschil tussen beide ligt er voornamelijk in dat Christus in onze plaats de eisen vervult die God op grond van het werkverbond op ons kan laten gelden (verg. 14.7 e.v.). Vandaar dat het genadeverbond, hoewel het in zichzelf louter genade is, toch vanaf het begin de wet van het werkverbond in dienst kan nemen, met zich kan verbinden en ook door de Geest van Christus in de gelovigen tot vervulling kan brengen. De wet houdt in het genadeverbond haar plaats. Niet opdat wij door haar in acht te nemen het eeuwige leven zouden proberen te verwerven, want daartoe is zij vanwege het vlees niet in staat. Rom. 8:3 Nee, opdat we in de eerste plaats door haar onze zonde, onze schuld, onze ellende, onze machteloosheid zouden leren kennen en, door schuldbesef getroffen en verslagen, tot Gods genade in Christus de toevlucht zouden nemen. Rom. 7:7, Gal. 3:24 En in de tweede plaats opdat we, nadat we met Christus gestorven en opgewekt zijn, in een nieuw leven zouden wandelen en daarin de rechtvaardige eis van de wet zouden vervullen. Rom. 6:4, 8:4

Zo is er dus in het christendom geen plaats voor antinomianisme, voor wetsverachting en wetsverkrachting. Wet en evangelie horen, net als in de Schrift, ook in de prediking en het onderwijs, in de leer en het leven met elkaar verbonden te worden. Ze zijn beide onmisbare en wezenlijke bestanddelen van het ene, volle woord van God. Maar toch, vereenzelviging is hier even verkeerd als scheiding. Het nomisme, dat het evangelie in een nieuwe wet verandert, dwaalt niet minder dan het antinomisme. Wet en evangelie verschillen niet gradueel, maar wezenlijk van elkaar. Ze verschillen als eis en gave, als bevel en belofte, als vraag en aanbod. De wet mag dan evengoed als het evangelie Gods wil bevatten en heilig, wijs, goed en geestelijk zijn, Rom. 2:18, 2:20, 7:12, 7:14, 12:10 ze is toch door de zonde krachteloos geworden. Ze rechtvaardigt niet, maar laat de zonde toenemen en wekt toorn, veroordeling en dood. Rom. 3:20, 4:15, 5:20, 7:5, 8:9, 8:13, 2 Kor. 3:6 e.v., Gal. 3:10, 3:13, 3:19 En daartegenover staat het evangelie, dat Christus als inhoud heeft Rom. 1:3, Ef. 3:6 en niets anders brengt dan genade, verzoening, vergeving, gerechtigheid, vrede en eeuwig leven. Hand. 2:38, 20:24, Rom. 3:21-26, 4:3-8, 5:1-2 enz. Wat de wet van ons eist, wordt ons in het evangelie gratis geschonken.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in