Om een juist inzicht te krijgen in de verhouding die er tussen Woord en Geest bestaat, moeten we uitgaan van het feit dat God niet pas in het aanbieden van Christus en zijn weldaden, maar zich bij al zijn werken naar buiten van het woord bedient als van een middel. In de Heilige Schrift is het woord nooit een holle klank of een leeg teken. Er zit altijd kracht en leven in. Het draagt iets in zich van de persoonlijkheid, van de ziel van de spreker en brengt daarom ook altijd iets tot stand.

Met name geldt dat bij God. Als Hij spreekt, dan gebeurt er iets. Ps. 33:9 Zijn woord keert nooit leeg terug, maar doet alles wat Hem behaagt en is voorspoedig in dat waarvoor Hij het zendt. Jes. 55:11 Door zijn woord bracht Hij in het begin alle dingen uit het niets tevoorschijn Gen. 1:3 e.v., Ps. 33:6 en door het woord van zijn kracht houdt Hij ze voortdurend in stand. Heb. 1:4 Dit woord heeft zo’n scheppende en onderhoudende kracht omdat God het uitspreekt in de Zoon Joh. 1:3, Kol. 1:15 en door de Geest Ps. 33:6, 104:30 en in beiden zich als het ware aan zijn schepselen meedeelt. Er is een spreken van God in alle schepselen, ze berusten allemaal op gedachten die door Hem zijn uitgesproken. Ze hebben het allemaal aan Gods woord te danken zowel dat ze zijn als ook wat ze zijn.
Maar deze gedachten, die door God in de wereld belichaamd zijn, worden niet door alle schepselen, maar alleen door de redelijke wezens, met name door de mens verstaan. Omdat hij volgens Gods beeld geschapen is, kan de mens ook zelf denken en spreken, kan hij de gedachten van God die in de schepping zijn neergelegd in zijn bewustzijn opnemen, tot zijn geestelijk eigendom maken en daarna ook weer teruggeven in zijn eigen woord. Zoals hij eerst volmaakt uit de handen van zijn Schepper voortkwam, kon hij ook Gods spreken verstaan, dat innerlijk tot hem kwam in de morele wet, die in zijn hart was geschreven en die van buiten tot hem doordrong in het proefgebod dat aan de morele wet werd toegevoegd. Zoals met geen ander schepsel, ging God toen met de mens om. Hij ging met hem een verbond aan, nam hem op in zijn gemeenschap en Hij stelde hem de eis dat hij bewust en gewillig in zijn wegen zou wandelen. De morele wet was de inhoud en de afkondiging, de regel en de maatstaf van die oorspronkelijke verbondsverhouding die God aanknoopte met de pas geschapen mens.
Nu heeft de mens door zijn moedwillige ongehoorzaamheid dat verbond wel verbroken en zichzelf beroofd van de geestelijke kracht om Gods wet in acht te nemen en zo het eeuwige leven te verwerven. Maar God heeft zich van zijn kant niet uit de schepping teruggetrokken en zijn hand niet volledig van de mens afgetrokken. Al kan van de heidenen gezegd worden dat God hen, anders dan Israël, hun eigen gang liet gaan, Hij blijft zich aan hen openbaren in zijn eeuwige kracht en goddelijkheid. Hij laat zich aan hen niet onbetuigd, Hij meet hun hun tijden toe en bepaalt hun woonplaatsen, opdat zij de Heer zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten. Hand. 14:17, 17:26-27, Rom. 1:20
Er blijft dus een spreken van God uitgaan naar ieder mens. De belijders van de gereformeerde religie hebben dit altijd erkend, door te spreken van een ‘zakelijke roeping’, die ook buiten de christelijke wereld wordt aangetroffen en het voorrecht van alle mensen en alle volken is. De heidenen delen niet in de roeping door het woord van het evangelie, maar zij zijn toch absoluut niet van alle roeping verstoken. God spreekt ook nog tot hen, door de natuur Rom. 1:20 en door de geschiedenis, Hand. 17:26 door de rede Joh. 1:9 en door het geweten. Rom. 2:14-15 Wel is deze roeping onvoldoende om gered te worden, want zij weet niet van Christus, die de enige weg naar de Vader en de enige naam onder de hemel tot redding is. Joh. 14:6, Hand. 4:12 Maar ze is toch van grote waarde en mag in haar betekenis niet worden onderschat.
Immers, deze roeping die God nog in zijn algemene genade naar alle mensen laat uitgaan, mag dan geen verkondiging van het evangelie zijn, ze is toch een prediking van de wet. Hoewel de mens door de verduistering van zijn verstand die prediking vaak verkeerd verstaat, vertolkt en toepast, heeft die toch zakelijk en wezenlijk diezelfde morele wet als inhoud die God oorspronkelijk aan de mens gaf en in zijn hart schreef. Die bevat dus, hoe verbasterd ook en ontaard, toch altijd nog een eis in zich om God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf. Want de heidenen hebben de wet wel niet in de volkomen vorm zoals die later weer door God aan Israël werd geschonken. Maar ze doen toch de dingen die tot de wet behoren. Ze laten zich in al hun gedachten en daden door morele regels bepalen en bewijzen daarmee dat deze dingen van de wet in hun hart geschreven staan en dat ze zich er in hun geweten aan gebonden voelen. Rom. 2:14-15
Zo is dus de band tussen God en de mens, ondanks de zonde, niet totaal verbroken. God laat de mens niet los en de mens kan niet loskomen van God. Hij blijft liggen onder het beslag van zijn openbaring en onder de band van zijn wet. God blijft spreken tot de mens, in natuur en geschiedenis, in rede en geweten, in zegeningen en gerichten, in leidingen van het leven en ervaringen van de ziel. Door dat rijke en machtige spreken onderhoudt God in de mens het bewustzijn van zijn afhankelijkheid en het besef van zijn verantwoordelijkheid. Hij laat hem streven naar een godsdienstig, moreel leven en laat hem na overtreding door zijn eigen geweten aanklagen en veroordelen. Het is geen uiterlijke dwang, maar het is een innerlijke, morele gebondenheid, die de mens vastlegt aan God en zijn openbaring. Het is een getuigenis van Gods Geest, dat zich ook in de gevallen mens nog horen laat en hem vermaant tot het doen van het goede. Want voor zover er een algemeen spreken van God en een algemene verlichting door het Woord (de Logos) in de mensen is, bestaat er ook een algemene werking van Gods Geest. Door die Geest woont God in alle schepselen en leven, bewegen wij ons en zijn wij allen in God. Hand. 17:28 De algemene, ‘zakelijke’ roeping is niet alleen uiterlijk en objectief, voor zover die door natuur en geschiedenis, door rede en geweten Gods openbaring en vooral zijn wet aan de mens laat kennen. Ze heeft ook een innerlijke en subjectieve kant, voor zover ze ieder mens van zijn kant aan die openbaring van God moreel vastlegt en hem in zijn eigen overtuiging tot het in acht nemen van Gods wet verplicht.
Door deze wetsprediking vernieuwt en zaligt God de mens nu wel niet, want dat is voor de wet onmogelijk, omdat die door het vlees krachteloos is. Rom. 8:3 Maar Hij houdt er toch de zonde mee in toom, bedwingt er de hartstochten door en houdt er de stroom van ongerechtigheden mee tegen. Er wordt een menselijke samenleving en een burgerlijke gerechtigheid door mogelijk gemaakt, die op haar beurt de weg weer banen voor een hogere beschaving, voor een rijkere cultuur, voor de bloei van kunsten en wetenschappen. Werkelijk, het aardrijk is nog vol rijkdommen van God. De Heer is goed voor allen en zijn barmhartigheid rust op al zijn werken. Hij doet zijn zon opgaan over slechten en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Hij laat zich niet onbetuigd, maar doet goed vanuit de hemel, geeft regen en vruchtbare tijden en versterkt onze harten met voedsel en vrolijkheid. Ps. 104:24, 145:7, Mat. 5:45, Hand. 14:7




















