Zoals het geloof de vrucht van de wedergeboorte is aan de kant van het bewustzijn, zo openbaart het nieuwe leven zich aan de kant van de wil in de bekering. Herhaaldelijk vinden we hiervan al sprake in de boeken van het Oude Testament. Israël werd na de verlossing uit Egypte door de Heer naar de Sinaï geleid en daar opgenomen in zijn verbond. Als volk van God moest het dat verbond in acht nemen en zijn stem gehoorzaam zijn. Het moest een priesterlijk koninkrijk, een heilig volk zijn. Ex. 19:5-6 Maar al in de woestijn maakte het zich telkens schuldig aan ontrouw en ongehoorzaamheid. In Kanaän nam die afval te midden van de heidense volken nog toe. Toen de eerste generatie was uitgestorven en er een andere generatie opkwam, die de Heer niet kende en ook het werk niet dat Hij aan Israël gedaan had, toen deden de kinderen van Israël wat slecht was in de ogen van de Heer en ze dienden de Baäls. Rich. 2:10-11

Vandaar dat de prediking van de bekering onder Israël noodzakelijk werd. In de eerste tijd liet de Heer richters opstaan, die het volk verlosten uit de hand van hun vijanden en hen terugleidden naar de dienst van de Heer. Later, vanaf Samuel, traden er profeten op, die Israël vermaanden om zich van hun slechte wegen te bekeren en zich aan Gods geboden en bepalingen te houden, overeenkomstig de wet die Hij aan hun vaderen had gegeven. 2 Kon. 17:13 Samuel begon hier al mee 1 Sam. 7:3 en alle profeten hebben die prediking herhaald. Ze zijn allen predikers geweest van boete en bekering, maar langs die weg dan verder ook verkondigers van vergeving van de zonden en van volkomen verlossing. Jer. 3:12, 3:14, 18:11, 25:5, Ezech. 14:6, 18:30-32, 33:11, Hos. 12:7, 14:3, Joël 2:12-13 enz. En dan werd er bij het volk soms ook wel enige bekering gezien. Als ze door hun vijanden tot slaven gemaakt en onderdrukt werden, begonnen ze tot de Heer te roepen. Rich. 3:9, 3:15, 4:3 enz. De vrome koningen, Asa, Josafat, Josia, Hizkia brachten een kleinere of grotere reformatie tot stand. 1 Kon. 15:11 e.v., 22:47, 2 Kon. 23:15, 2 Kron. 30:6, 30:9 Jona ging zelfs naar Ninevé en op zijn prediking geloofden de mensen van Ninevé God, ze riepen een vasten uit, kleedden zich met zakken en bekeerden zich van hun slechte weg. Jona 3:5, 3:10 Over Achab wordt gezegd dat hij na Elia’s aankondiging van zijn oordeel zich vernederde voor het aangezicht van de Heer. 1 Kon. 21:27, 21:29 En over Manasse wordt verteld dat hij op het laatst van zijn leven het aangezicht van de Heer zocht en erkende dat de Heer God is. 2 Kron. 33:12
Hoewel de bekering bij sommigen zeker wel ernstig en van harte gemeend was, bestond die bij de massa van het volk uit niet veel meer dan een uiterlijke verandering. Ze bekeerden zich niet met heel hun hart, zoals Jeremia zegt, maar slechts in schijn. Jer. 3:10 Daarom gingen de profeten door met hun prediking van de bekering. Ze houden het volk de eis en de plicht van de bekering voor ogen. Ze dringen erop aan dat niet alleen het volk in zijn geheel, maar ook dat ieder persoonlijk zijn zondige weg verlaat en zich bekeert tot de Heer zijn God. Ezech. 18:23, 18:32, 33:11 En als het volk dan voortdurend de vermaningen in de wind blijft slaan, dan rijpt bij de profeten de gedachte dat hun prediking dient als een oordeel voor het volk, Jes. 6:10 dat Israël een wilde wijnstok is, Jer. 2:25 dat het zich niet bekeren kan, evenmin als een Cusjiet zijn huid of een luipaard zijn vlekken kan veranderen Jer. 13:23 en dat God de bekering geven moet en een nieuw hart moet schenken. Ps. 51:12, Jer. 31:18, Kl. 5:21 En reikhalzend zien ze uit naar de dag waarop God een nieuw verbond zal sluiten, het hart van het volk zal besnijden en daarin zijn wet zal schrijven. Deut. 30:2, 30:6, Ps. 22:28, Hos. 3:5, Jer. 24:7, 32:33 enz.
Die dag breekt aan als volgens de prediking van Johannes de Doper en Jezus het koninkrijk van de hemelen dichtbij is gekomen. En beiden verkondigen dan dat geen pogen om de wet in acht te nemen en geen farizese eigengerechtigheid, maar alleen bekering en geloof de weg naar dat koninkrijk met zijn rijkdommen ontsluit. Mar. 1:4, 1:15 Om deze bekering aan te duiden gebruikt het Griekse Nieuwe Testament twee woorden. Het eerste komt als zelfstandig naamwoord of werkwoord onder andere voor in Mattheüs 3:2, 3:8, 3:11, 9:13, 11:20, Handelingen 2:38 en 2 Korinthiërs 7:9-10 en geeft een innerlijke, geestelijke verandering, een verandering in de morele gezindheid aan. Het andere, dat we bijvoorbeeld aantreffen in Mattheüs 13:16, Lukas 1:16-17, 22:32, Handelingen 9:35, 11:21, 14:15, 15:19, 26:18, 26:20 enzovoort, ziet meer op de uiterlijke omkeer, de verandering in levensrichting, die van de innerlijke verandering openbaring en gevolg is. In Handelingen 3:18 en 26:20 worden beide woorden verbonden: ‘Kom tot inkeer en bekeer je,’ dat is: verander je gemoed en je wandel, kom tot inkeer en keer terug.
Wanneer het evangelie in de dagen van de apostelen aan Joden en heidenen gepredikt en door hen aangenomen werd, dan eiste dat ook een uiterlijke verandering, die voor anderen waarneembaar was. De Joden moesten breken met hun inachtneming van de Mozaïsche wet, vooral van de besnijdenis en heel de offerdienst, en de heidenen moesten hun afgoderij, beeldendienst en godsdienstige gebruiken vaarwel zeggen. Er was heel wat zelfverloochening en moed voor nodig om tot het christendom over te gaan. Wie het deed, deed het in de regel uit overtuiging van het hart, in oprechtheid en waarheid, want eer en voordeel waren er niet mee te behalen. De beide zaken die door de twee woorden voor bekering werden uitgedrukt, waren dus gewoonlijk zeer nauw verbonden. De innerlijke en de uiterlijke verandering gingen met elkaar gepaard.
Deze radicale omkeer, zowel innerlijk als uiterlijk, ontving haar teken en zegel in de heilige doop: Hand. 2:38 wie de doop onderging, die brak met heel zijn verleden, verliet zijn familie, werd voor de wereld gekruisigd, stierf met Christus en werd met Hem door de doop begraven in zijn dood. Maar die stond op hetzelfde moment met Christus op tot een nieuw leven, kleedde zich met Christus als met een ander, rein gewaad waarin hij zich nu aan de wereld vertoonde, die werd een leerling, een volgeling, een dienaar, een soldaat van Christus, een lid van zijn lichaam en een tempel van de Heilige Geest. Rom. 6:3 e.v., Gal. 3:27, Kol. 2:11-12 enz. Zolang de christelijke kerk zich in de wereld van de Joden en heidenen moest uitbreiden, was de bekering niet alleen een innerlijke verandering, maar ook een uiterlijke omkeer, een verlaten van de dienst van de stomme afgoden, 1 Kor. 12:2, 1 Thes. 1:9 van arme en zwakke principes en elementen van godsdienst, Gal. 4:3, 4:9, Kol. 2:8, 2:20 van dode werken, Heb. 9:14, 1 Thes. 1:9 van openbare zonden en misdaden, 1 Kor. 6:10, Ef. 2:2-3, Kol. 3:5, 3:7, Tit. 3:3 om van nu af voortaan de levende en echte God te dienen Heb. 9:14, 1 Thes. 1:9 en de Heer aan te hangen. 1 Kor. 6:15-20
Maar toen deze zendingsperiode voorbij was en de gemeente in de generaties, van ouders op kinderen, verderging, toen veranderde de bekering wel niet in wezen, maar legde ze toch uit de aard van de zaak de uiterlijke vorm af waarin ze vroeger naar buiten openbaar werd. De kinderen waren vanaf hun geboorte opgenomen in het verbond, ze ontvingen als teken en zegel daarvan de heilige doop en werden daardoor zichtbaar, zelfs vóór hun bewustzijn en toestemming, in de kerk van Christus ingelijfd. Maar natuurlijk kwam het vaak voor dat leden van de kerk, die op latere leeftijd of als kinderen gedoopt waren, na die tijd in lichtere of grovere zonden vervielen. Er waren sekten, zoals de montanisten en de novatianen, die meenden dat de grovere zonden niet meer door de kerk vergeven mochten of konden worden. Maar de kerk zelf nam een ander standpunt in. Ze liet afgedwaalden en gevallenen weer tot haar gemeenschap toe wanneer ze berouwvol terugkeerden, belijdenis van hun zonden deden en zich onderwierpen aan de kerkelijke straffen.
Langzamerhand kwam daaruit het sacrament van de boete op, waarbij de gelovigen die zich aan kleinere of grotere zonden schuldig hebben gemaakt die zonden in de biecht belijden voor de priester, daarbij een volmaakt (wanneer men de zonde betreurt omdat men er God door beledigd heeft) of een onvolmaakt (wanneer men de zonde betreurt uit vrees voor straf enzovoort) berouw tonen en ten slotte de gebeden en goede werken volbrengen die de biechtvader de boeteling oplegt. Zo werd de bekering in de roomse kerk uiteindelijk geheel veruiterlijkt. In plaats van in de innerlijke zinsverandering, kwam het zwaartepunt te liggen in de biecht en in de voldoening, want een onvolmaakt berouw was voldoende om vergeving van zonden te krijgen. En door een aflaat kon men zelfs weer kwijtschelding van de opgelegde tijdelijke straffen krijgen.
Vanuit dit punt vooral begon de Reformatie bij Luther. Door het lezen van het Nieuwe Testament kwam hij tot de ontdekking dat bekering in de Schrift heel iets anders was dan de boete, de ‘penitentie’ die Rome ervan gemaakt had. Maar Luther scheidde bekering en geloof nog te veel. Hij had zelf in zijn geweten de vloek van de wet gevoeld en vond toen troost in de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof alleen. Bekering in de zin van berouw, boete, verdriet werd daarom volgens zijn opvatting bewerkt door het middel van de wet en geloof door het middel van het evangelie. Calvijn zag dit later beter in en gaf een enigszins andere voorstelling. Net als de Heilige Schrift maakte hij onderscheid tussen een valse en een echte bekering, Jer. 3:10 tussen een droefheid voor de wereld en een droefheid overeenkomstig de wil van God, 2 Kor. 7:10 tussen spijt, berouw over een zondige daad en een oprecht verdriet dat we God door onze zonden vertoornd hebben. Berouw over een zondige daad kan ook de kinderen van de wereld overkomen. Als de zonde heel andere gevolgen heeft dan verwacht werd, als ze tot schade en schande leidt, dan voelt de wereld ook vaak spijt. Een Kaïn, Gen. 4:13 een Ezau, Heb. 12:17 een Judas Mat. 27:3 vormen daarvoor het bewijs. Zo’n droefheid leidt niet tot echte bekering, maar ze werkt de dood, ze brengt vertwijfeling, verbittering, verharding mee.
Maar de echte bekering bestaat niet uit zo’n berouw, dat alleen de gevolgen van de zonde betreurt. Nee, ze bestaat uit een innerlijke verbrijzeling van het hart, Ps. 51:19, Hand. 2:37 uit een droefheid over de zonde zelf, omdat ze in strijd is met Gods wil en zijn toorn opwekt, uit een oprecht verdriet over de zonde en uit een haten en ontvluchten ervan. En die bekering komt niet op uit de oude, maar uit de nieuwe mens. Ze veronderstelt al en is een vrucht van het zaligmakend geloof. Ze is een droefheid zoals God die wil en zoals God die werkt en ze strekt zich daarom meteen naar God uit en werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid (of een bekering tot onberouwelijke zaligheid). 2 Kor. 7:10 Als de verloren zoon tot zichzelf gekomen is en het besluit opvat om terug te keren, dan zegt hij: ‘Ik zal opstaan en naar mijn Vader gaan en ik zal tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u.”’ Luk. 15:18 Hij neemt de vadernaam al op de lippen, hoewel hij nog ver bij Hem vandaan is. Hij durft naar de Vader gaan en zijn zonden voor zijn aangezicht belijden, omdat hij in het diepst van zijn hart gelooft dat de Vader zijn Vader is. We zouden niet durven omkeren naar God als we er niet door de Heilige Geest innerlijk in onze zielen op vertrouwden dat Hij, als een Vader, onze belijdenis zal aannemen en ons onze zonden zal vergeven. De echte bekering is onlosmakelijk verbonden met het echte zaligmakend geloof.
Daarom behoort de volledige behandeling van de bekering van de mens niet thuis in de leer van de ellende en van de verlossing, maar in die van de dankbaarheid (Heidelbergse Catechismus zondag 33). Soms wordt het woord bekering in ruimere zin genomen en dan omvat het heel de verandering die er bij een mens moet plaatsvinden om een kind van God en een burger van zijn koninkrijk te worden. Zoals Jezus in Johannes 3 alleen over de wedergeboorte en elders alleen over geloof spreekt als de weg die naar de zaligheid leidt, bv. Mar. 16:16 zo maakt Hij in Mattheüs 4:17 alleen melding van de bekering. Je kunt immers de ene weldaad niet bezitten zonder de andere. In het nieuwe leven van de wedergeboorte liggen het geloof en de bekering in principe opgesloten en ze komen er op hun tijd onvermijdelijk uit voort. Maar al kunnen ze niet van elkaar gescheiden worden, we kunnen ze toch van elkaar onderscheiden. En dan is bekering een vrucht van de wedergeboorte, die tegelijkertijd het geloof veronderstelt. Ook dan is en blijft ze een gave en een werk van God, niet alleen in het begin, maar ook bij de voortgang. Jer. 31:18, Kl. 5:21, Hand. 5:31, 11:19 Maar ze is dan tegelijk, op grond van het nieuwe leven dat ingestort werd, een daad van de mens, Hand. 2:38, 11:21, Op. 2:5, 2:16 e.v. die niet tot één ogenblik beperkt is, maar door heel het leven heen doorgaat.
Bovendien is de bekering dan, hoewel één in wezen, verschillend in vorm, afhankelijk van de personen in wie ze gebeurt en de omstandigheden waaronder ze plaatsvindt. Het is wel één weg, waarop al Gods kinderen wandelen, maar ze worden daarop toch verschillend geleid en doen verschillende ervaringen op. Wat voor verschil is er niet in de leiding die God met de aartsvaders houdt. Welk onderscheid is er niet in de bekering van Manasse, van Paulus, van Timotheüs! Hoever lopen niet de bevindingen van een David en Salomo, van een Johannes en Jakobus uiteen! En diezelfde verscheidenheid treffen we ook aan buiten de Schrift, in het leven van de kerkvaders, van de reformatoren en van alle vromen. Zodra ons oog opengaat voor deze rijkdom van het geestelijke leven, leren we het af anderen volgens onze kleine bekrompen maatstaf te beoordelen. Er zijn mensen die slechts één methode kennen en niemand voor bekeerd houden, tenzij ze van dezelfde ervaringen kunnen spreken die ze zelf hebben gehad of beweren gehad te hebben. Maar de Schrift is veel rijker en ruimer dan de bekrompenheid van hun ingewanden. Ook hier geldt het woord: ‘Er is verscheidenheid van gaven, maar het is dezelfde Geest. En er is verscheidenheid van de bedieningen en het is dezelfde Heer. En er is verscheidenheid van de werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt.’ 1 Kor. 12:4-6 De echte bekering bestaat niet uit wat mensen ervan maken, maar in wat God erover zegt. In alle verscheidenheid van leidingen en ervaringen bestaat ze en moet ze bestaan uit het afsterven van de oude en het opstaan van de nieuwe mens.
Wat is het afsterven van de oude mens? Het is een oprecht verdriet dat we God door onze zonden vertoornd hebben en die hoe langer hoe meer haten en ontvluchten.
En wat is het opstaan van de nieuwe mens? Het is een oprechte vreugde in God door Christus en lust en liefde om volgens Gods wil in alle goede werken te leven.



















