20.10 – Geloof

0
2

Dit is immers zeker: uit de vruchten wordt de boom gekend. Een goede boom brengt goede vruchten voort en de goede mens brengt goede dingen voort uit de goede schat van het hart. Mat. 7:17, 12:33, 12:35 Als de wedergeboorte een nieuw levensprincipe in de harten uitstort, dan moet en zal dat openbaar worden in de activiteiten die er van dat geestelijk leven uitgaan. En dat zijn er twee in het bijzonder: geloof aan de kant van het verstand en bekering aan de kant van de wil.

Geloven is heel in het algemeen, zoals we daar ook in het dagelijks leven over spreken, het aannemen van een getuigenis. We geloven iets wanneer we het niet zelf gezien of waargenomen hebben, maar er toch zeker van zijn, omdat andere betrouwbare personen, mondeling of schriftelijk, in het verleden of in het heden, ons erover verteld hebben. Deze basisbetekenis houdt het woord ook als het op godsdienstig gebied wordt overgebracht en het moet die betekenis ook wel houden, omdat we van heel de inhoud van het evangelie, van heel de persoon en het werk van Christus, niets weten dan door het getuigenis van de apostelen. Alleen door hun woord kunnen we in Christus geloven, Joh. 17:20 door de gemeenschap met de apostelen komen we tot de gemeenschap met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. 1 Joh. 1:3

Maar toch wordt het geloof, als het op godsdienstig gebied overgaat en in de Heilige Schrift uitdrukkelijk wordt gepresenteerd als de weg naar het koninkrijk van de hemelen, overeenkomstig dit bijzondere gebruik heel belangrijk gewijzigd. Je kunt het evangelie ook wel aannemen op dezelfde manier als je het getuigenis over een historisch persoon of feit gelooft. Maar dan neem je het evangelie niet aan als evangelie en het geloof waarmee je het aanneemt, is niet het echte geloof. De ervaring van alle predikers, van profeten, apostelen, dienaren van het Woord in de gemeente en in de heidenwereld, ja de ervaring van Jezus zelf is altijd geweest dat het woord bij velen die het hoorden geen ingang vond en geen effect had. ‘Wie heeft onze prediking geloofd en aan wie is de arm van de Heer geopenbaard?’ Jes. 53:1 De mensen die het evangelie horen, brengen een heel verschillende gemoedsgesteldheid mee en nemen er een heel verschillende houding tegenover aan.

Jezus heeft deze toestanden getekend in de gelijkenis van de Zaaier. Bij sommigen valt het zaad van het woord langs de weg die de akker begrenst en de vogels komen en eten het op. Dat zijn de onverschilligen, de gevoellozen, de onaandoenlijken, die het woord wel horen, maar als een zaak die hun niet aangaat. Ze stellen er persoonlijk niet het minste belang in en menen dat het niet tot hen is gericht. Het woord valt bij hen niet in de akker van hun hart, maar ernaast, op de harde, plat- en vastgetreden weg. Het blijft dikwijls zelfs niet in hun geheugen bewaard, maar gaat het ene oor in en het andere oor uit. Het is na enkele ogenblikken alsof ze het helemaal niet hadden gehoord. De vogel, allerlei gedachten van tegenspraak, minachting, ongeloof, lastering, die door de Boze als middelen gebruikt worden, drijven het woord uit hun bewustzijn weg. Ze hebben het wel gehoord, maar ze verstaan het niet. Mat. 13:4, 13:19

Bij anderen valt het zaad van het woord op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde heeft. Het komt dan wel meteen op, juist omdat het geen diepe aarde heeft, maar als de zon is opgegaan, verbrandt het en het verdort, omdat het geen wortel heeft. Dat zijn de oppervlakkige, ondiepe, vluchtige gemoederen. Ze horen het woord niet alleen, maar nemen het ook meteen met vreugde aan. Het evangelie trekt hen aan, om zijn schoonheid, verhevenheid, eenvoud of lieflijkheid, en maakt ook enige indruk op hen. Ze worden erdoor bewogen en geroerd, proeven er enige kracht van en vormen zich allerlei goede voornemens. Maar ze laten de waarheid niet diep binnendringen en wortel schieten in hun hart. Ze gunnen er een plaats aan in hun geheugen, in hun verbeelding, in hun verstand en rede, maar ze openen de diepte van hun gemoed er niet voor. Er is een dunne laag aarde op de oppervlakte waar het woord in valt, maar daaronder is alles koud, doods, hard als een rots. Daarom kunnen ze de verdrukking en vervolging, de beproeving en verzoeking niet doorstaan. Zodra die komen, struikelen ze en vallen ze af. Ze zijn maar voor een tijd. Mat. 13:5-6, 13:20-21

Verder zijn er nog anderen, bij wie het zaad van het woord midden tussen de doornen valt, maar de doornen, die ermee (met dat zaad van het woord) opgroeien, Luk. 8:7 verstikken het, zodat het niet tot ontkiemen en vrucht dragen komt. Dat zijn de wereldsgezinde hoorders, wier harten vol doornen zijn, vol zorgen van de wereld of van verleidingen van de rijkdom, die door de zorgen of door de verleidingen van het aardse leven geheel in beslag worden genomen. Ze horen het woord aan, ze nemen het ook wel aan. Soms dringt het tussen al die wereldse beslommeringen en genietingen heen nog wel tot hun harten door. De gedachte komt nu en dan bij hen op dat het beter zou zijn met de wereld te breken en Gods koninkrijk te zoeken. De vrees voor het oordeel maakt zich weleens meester van hun gemoed. Maar als het zaad van het woord op het punt staat om te ontkiemen, dan komen de doornen, de wereldse lasten en lusten, en ze verstikken het bij de geboorte. Ze komen er niet toe om alles te verlaten, om het kruis op zich te nemen en Jezus te volgen. De macht van de wereld is hun te sterk. Mat. 13:7, 13:22

Er is dus een toestemmen en aannemen van het evangelie dat toch het ware niet is. Zeker, er zijn onverschilligen, zoals Pilatus, die zich met een hoogmoedige en minachtende glimlach van het evangelie afkeren. Joh. 18:38 Er zijn er ook die, zoals de trotse farizeeën en de wijze Grieken, in het kruis van Christus een ergernis en een dwaasheid zien en ertegen losbreken in wilde vijandschap en haat. Mat. 12:24, Joh. 8:22, 1 Kor. 1:23 Maar er zijn anderen, die geloven, maar niet tot belijden komen en de eer van de mensen meer liefhebben dan de eer van God. Joh. 12:42-43 Die heel hun leven, tot hun dood toe, hoorders van het woord blijven, maar nooit daders van het woord worden. Mat. 7:26, Joh. 13:17, Rom. 2:13, Jak. 1:23 Die, zoals Simon van Samaria, het evangelie aannemen om de tekenen en grote krachten die erdoor gebeuren. Hand. 8:13 e.v. Die, als een Agrippa, op een bepaald ogenblik van hun leven bijna overtuigd worden om christen te worden. Hand. 26:27-28 Die, als een Demas, jarenlang het evangelie dienen en daarna de tegenwoordige wereld weer lief krijgen. 2 Tim. 4:10 Er is allerlei geloof, historisch, tijd-, wondergeloof, dat wel de naam geloof draagt, maar de inhoud ervan niet bezit, dat wel een gedaante van de godsvrucht vertoont, maar de kracht ervan verloochent. 2 Tim. 3:5

Het echte, het zaligmakend geloof verschilt in drie opzichten van al de genoemde vormen van geloof. In de eerste plaats heeft het een verschillende oorsprong. Het historisch, het tijd- en het wondergeloof zijn op zichzelf niet verkeerd. Ze zijn beter dan volslagen ongeloof en bittere vijandschap. Ze hebben zelfs een tijdelijk nut. Maar ze zijn toch alleen gaven van Gods algemene genade en worden ook aan natuurlijke mensen geschonken. Het zaligmakend geloof is echter een gave van God, net als heel de zaligheid, Ef. 2:8 een gave van Gods bijzondere genade, Fil. 1:29 een gevolg van de verkiezing, Hand. 13:48, Rom. 8:30, Ef. 1:5 een werk van de Heilige Geest, 1 Kor. 12:3 een vrucht van de wedergeboorte. Joh. 1:12-13

Zij die alleen deel hebben aan de natuurlijke geboorte, behoren tot de wereld, zijn van beneden, hebben de duisternis liever dan het licht, kennen God niet en verstaan zijn woord niet. Joh. 1:11, 3:3, 3:19-20, 6:44, 8:47, Rom. 8:7, 1 Kor. 2:14 enz. Maar de wedergeboorte verklaart waarom sommigen de roeping van het evangelie opvolgen en Christus aannemen. Joh. 1:12-13 Zij zijn immers uit God geboren, zijn uit de waarheid, worden door de Vader naar Christus geleid, horen zijn stem, verstaan zijn spreken en volgen Hem. Joh. 3:3, 3:5, 6:44, 8:47, 10:5, 10:27 En de Heilige Geest, uit wie zij geboren zijn, getuigt met hun geest dat ze kinderen van God zijn Rom. 8:16 en legt hun de belijdenis op de lippen dat Christus hun Heer is. 1 Kor. 12:3

Op grond van deze oorsprong verschilt het ware, zaligmakend geloof in de tweede plaats ook van elk ander geloof in wezen. Het sluit zonder twijfel een element van kennen in, want het heeft betrekking op een getuigenis over onzichtbare, eeuwige dingen, die we niet zelf hebben waargenomen en niet hebben kunnen waarnemen. Het kan de waarheid niet uit het opnieuw geboren leven opbouwen en ook niet uit de godsdienstige ervaring en de bevinding van het gemoed afleiden. Want hoewel de gelovigen de zalving van de Geest van de Heilige (namelijk Christus) ontvangen hebben en alle dingen weten, 1 Joh. 2:20 hebben ze die Geest toch juist aan Christus te danken, blijven ze gebonden aan het woord van de waarheid, dat ze vanaf het begin gehoord hebben 1 Joh. 2:21-24 en zijn ze met heel de kerk op het fundament van apostelen en profeten gebouwd. Ef. 2:20

Maar de kennis die aan het zaligmakend geloof eigen is, is toch van een bijzondere soort. Die is niet louter een theoretische kennis, die alleen in het verstand en het geheugen opgenomen wordt en de mens verder koud laat. Ze staat niet op één lijn met de kennis die in de wetenschap door onderzoek en nadenken verworven wordt en ze kan niet gelijkgesteld worden met het aannemen van een historisch bericht over wat ergens in het verleden heeft plaatsgevonden. De kennis van het geloof is een praktische kennis, een kennis van het hart meer dan van het hoofd, een kennis met persoonlijke, diepe belangstelling, die heel mijn ziel in beslag neemt, omdat ze een zaak betreft waar ik zelf in de kern van mijn wezen bij betrokken ben, waar mijn bestaan, mijn leven, mijn ziel, mijn zaligheid mee gemoeid is. Het geloof is dus wel een toestemmen en aannemen, een weten en kennen van een getuigenis dat naar mij toe komt. Maar het is een aannemen van dat getuigenis met toepassing op mijzelf, een ontvangen van het woord van Gods prediking, niet als een mensenwoord, maar als Gods woord, 1 Thes. 2:13 een eigen maken van het evangelie als een boodschap die God naar mij persoonlijk zendt.

En hiermee verbindt zich meteen in de derde plaats dat het zaligmakend geloof van elk ander geloof verschilt in object. Want het historisch geloof blijft bij het bericht staan en dringt niet dieper door. Het tijdgeloof ziet in dat bericht wel enige schoonheid en verheugt zich daarin, maar miskent de eigenlijke inhoud ervan. En het wondergeloof hecht zich aan de tekenen en krachten, maar is eigenlijk onverschillig voor Hem die ze werkt. Wanneer we echter het evangelie aannemen met een oprecht hart, als een woord dat God ons persoonlijk brengt, dan kan dit zaligmakend geloof ons niet leeg en onvruchtbaar laten. Evenmin als iemand die op reis verneemt dat zijn gezin in groot gevaar verkeert, rustig zijn tocht zal voortzetten, kan de mens die het evangelie werkelijk, met toepassing op zichzelf gelooft en die daaruit weet dat hij schuldig en verloren is en dat er alleen redding is bij Christus Jezus, daarbij koud en onverschillig blijven. Integendeel, het ware geloof wordt in degenen die het ontvangen hebben meteen actief. Het laat hen geen rust, het drijft hen naar Christus uit. Het blijft dus niet staan bij het getuigenis als een historisch bericht, maar dringt door tot de persoon over wie dat getuigenis spreekt.

Zo was het immers al in het Oude Testament. De vromen die daar voor ons optreden, zijn met God altijd zelf actief. Enkele keren wordt dit uitgedrukt door ‘geloven’, Gen. 15:6, Ex. 14:31, 2 Kron. 20:20, Jes. 28:16, Hab. 2:4 maar dit is dan niet een verstandelijk overtuigd zijn dat God bestaat, maar een met heel de ziel vertrouwen op God en een bouwen op zijn woord. ‘Geloven’ wordt daarom met allerlei andere woorden afgewisseld. Over de vromen wordt telkens gezegd dat zij op God vertrouwen, tot Hem de toevlucht nemen, op Hem hopen, Hem vrezen, alles van Hem verwachten, naar Hem uitzien, op Hem steunen, Hem aanhangen en nalopen enzovoort. Hun leven is een voortdurend wandelen, omgaan, gemeenschap oefenen met God. En zo is het ook in het Nieuwe Testament. De apostelen die het ons beschreven hebben, zijn geen geschiedschrijvers in de gewone zin van het woord. Ze getuigen van wat ze gezien en gehoord en aanschouwd en getast hebben van het Woord van het leven. Ze leven in de gemeenschap met Christus en spreken daaruit. Geloven is een aannemen van Christus, niet louter een aannemen van het over Hem door de apostelen afgelegde getuigenis, maar een aannemen van Christus zelf. Joh. 1:12 Het sluit een zich met Christus kleden in, Gal. 3:27 een sterven en opstaan met Christus, Rom. 6:4 een leven in zijn gemeenschap, Gal. 2:20 een blijven in Hem als de wijnstok Joh. 15:4 enzovoort. En door en in Christus is God hun Vader en zijn zij zijn zonen en dochters. 2 Kor. 6:18

Kortom, het zaligmakend geloof is niet alleen een zekere kennis, een vaste overtuiging, een ontwijfelbare zekerheid over het profetisch en apostolisch getuigenis als het woord van God. Nee, het is daarmee tegelijk een vast vertrouwen, van persoon tot persoon, op Christus zelf als de volheid van genade en waarheid, die door God in Hem geopenbaard is. Het een is onlosmakelijk verbonden met het ander. Zonder kennis is geen vertrouwen mogelijk, want hoe kunnen we vertrouwen op iemand die we niet kennen? Maar ook omgekeerd: als het kennen niet tot vertrouwen leidt dan is het niet het juiste kennen geweest. Wie de naam van de Heer kennen, vertrouwen op Hem, Ps. 9:11 maar wie Hem niet vertrouwen, die hebben Hem ook uit zijn woord nog niet leren kennen zoals Hij werkelijk is. Wie Christus zoekt buiten zijn woord om, alleen door de Geest, die verliest de toetssteen om de geesten te beproeven en komt er uiteindelijk toe om zijn eigen geest met de Geest van Christus te verwarren. En wie het woord onderzoekt zonder de Geest van Christus, die bestudeert het portret, maar is onverschillig voor de persoon die het voorstelt.

Daarom gaf Christus beide, zijn woord en zijn Geest. En de Geest van Christus is het die in het woord van de Schrift en in de harten van de gelovigen hetzelfde getuigenis aflegt. In de wedergeboorte plant Hij het woord in onze harten. Jak. 1:18, 1:21, 1 Pet. 1:23, 1:25 En het geestelijk leven van de gelovigen leidt Hij, overeenkomstig zijn natuur, altijd weer terug naar het woord, om het daarmee te voeden en te versterken. We groeien hier op aarde nooit boven de Schrift uit, omdat die Schrift het enige middel is om ons in gemeenschap te brengen met de werkelijke Christus, die gekruisigd is, maar nu gezeten is aan de rechterhand van Gods kracht. Het christendom is een historische religie, maar ook een religie van het heden. Het heeft een woord dat ons het beeld van Christus voor ogen schildert, maar ook een Geest, door wie de levende Christus zelf in onze harten woont. Daarom is het geloof kennis en vertrouwen tegelijk. Het is een aannemen van Christus zelf in het gewaad van de Heilige Schrift.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in