Om ons aan deze gemeenschap aan zijn persoon en aan zijn weldaden deel te geven, bedient Christus zich niet alleen van de Geest, die Hij in de gemeente heeft uitgestort, maar ook van het Woord, dat Hij haar geschonken heeft om haar te onderwijzen en te regeren. En tussen die twee heeft Hij zo’n verband gelegd dat ze samen dienstbaar zijn aan de uitoefening van zijn profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt. Maar het is niet gemakkelijke dit verband goed in te zien en duidelijk te omschrijven. Er zijn over de relatie tussen Woord en Geest altijd zeer verschillende gedachten gevormd en deze verschillende voorstellingen blijven tot de dag van vandaag naast elkaar bestaan.

Aan de ene kant zijn er die de prediking van het woord voldoende achten en aan de werking van de Geest tekortdoen. Het zijn de volgelingen van Pelagius die zich in vroeger en later tijd aan deze dwaling schuldig maken. Zij vatten het christendom uitsluitend op als een leer, zien in Jezus niet anders dan een verheven voorbeeld en maken van het evangelie een nieuwe wet. Omdat de mens door de zonde wel verzwakt, maar niet geestelijk gestorven is en de vrijheid van zijn wil behouden heeft, is de prediking van het evangelie voldoende om de mens, als hij zelf wil, tot bekering te brengen en volgens het voorbeeld van Jezus te laten wandelen. Aan de wederbarende werking van de Heilige Geest wordt geen behoefte gevoeld. Zijn persoonlijkheid en zijn Godheid worden ontkend en bestreden. Hoogstens wordt bij de Heilige Geest gedacht aan een kracht, die van God of eerder nog van de persoon van Jezus uitgaat en in de gemeente een morele gezindheid en een ideale wilsrichting kweekt.
In een geheel tegenovergestelde richting bewegen zich degenen die onder de naam geestdrijvers (antinomianen, enthousiasten, mystieken) bekend staan en veel spreken over de Geest, maar de betekenis van het Woord bij de bekering van de mens onderschatten. Het Woord (de Heilige Schrift, de prediking van het evangelie) is immers volgens hun idee niet de geestelijke zaak zelf, maar is er slechts een teken en symbool van. In zichzelf is het een dode letter, die niet tot het hart van de mens doordringen en daar het begin van het nieuwe leven planten kan. Er gaat hoogstens een onderwijzende werking van uit op het verstand, maar geen kracht die het hart verandert en omzet. Dat kan alleen gebeuren en gebeurt ook alleen door de Heilige Geest, die direct van God het binnenste wezen van de mens binnendringt en hem deel geeft aan de zaak waarvan het woord een teken is. De geestelijke mens is daarom rechtstreeks uit God geboren en door God onderwezen. Hij alleen verstaat de Schrift, dringt achter haar letter door tot haar kern en wezen en maakt van haar nog wel voor een tijd gebruik als van een maatstaf en leidraad. Maar bron van zijn godsdienstige kennis is die Schrift toch eigenlijk niet, want hij wordt innerlijk door Gods Geest onderwezen en groeit langzamerhand boven de Schrift uit.
Naarmate de werking van de Geest innerlijk in het hart dan verder meer en meer van de Schrift onafhankelijk wordt gemaakt, komt ze ook losser te staan tegenover de persoon van Christus en heel het historisch christendom. Het mysticisme gaat dan in zijn verdere ontwikkeling tot rationalisme over. Want als de innerlijke werking van de Geest van het woord van de Schrift wordt losgemaakt, verliest ze haar bijzondere karakter en valt ze niet meer te onderscheiden van de gewone werking van Gods Geest in de rede en het geweten van de mens. God woont met zijn Geest van nature in ieder mens. Het innerlijke woord staat van de geboorte af in ieders hart geschreven en Christus gaf er alleen klanken aan. Iets is niet waar omdat het in de Bijbel staat, maar het staat in de Bijbel omdat het waar is. Het christendom is de oorspronkelijke, natuurlijke religie. Het is zo oud als de wereld en het ligt in zijn wezen aan de basis van alle historische godsdiensten. Het mysticisme loopt altijd weer op het rationalisme uit, zoals dit laatste voortdurend ook weer in het mysticisme terugvalt. De uitersten raken hier elkaar en geven elkaar de hand.
De christelijke kerk heeft steeds geprobeerd deze dwalingen te vermijden en Woord en Geest met elkaar in verband te houden. Maar ze is in haar verschillende belijdenissen daarbij toch weer in verschillende richtingen uiteengegaan. De roomse kerk bijvoorbeeld ziet in de Heilige Schrift en in de kerkelijke overlevering niet een eigenlijk genademiddel, maar alleen een kenbron van de waarheid. Het verstandelijk aannemen van die waarheid heet geloof. Maar omdat dit geloof louter een toestemmen is, is het onvoldoende voor de zaligheid en heeft daarvoor dus slechts een voorbereidende betekenis. De eigenlijke zaligmakende genade wordt past meegedeeld in het sacrament. En zo ziet Rome het werk van de Heilige Geest vóór alle dingen in de stichting en instandhouding van de kerk met haar leer-, en herders- en priesterambt en vervolgens in de door middel van het sacrament aan de gelovigen meegedeelde bovennatuurlijke genade, deugden en gaven.
Tegen dit streven om de zaligmakende werking van de Geest van het Woord los te maken en alleen te binden aan het sacrament, kwam de Reformatie in verzet. Zij herstelde de Heilige Schrift niet alleen als de enige, duidelijke en voldoende kenbron van de waarheid, met uitsluiting van de overlevering. Ze eerde haar ook weer als genademiddel en hergaf aan het woord zijn plaats vóór het sacrament. Maar daardoor zag de Hervorming zich ook genoodzaakt dieper na te denken over het verband tussen Woord en Geest. Ze werd er des te meer toe gedrongen, omdat links en rechts de oude dwalingen herleefden en krachtige verdedigers vonden. Terwijl de socinianen terugkeerden tot de leer van Arius en Pelagius, het evangelie opvatten als een nieuwe wet en aan een bijzondere werking van de Heilige Geest geen behoefte voelden, sloegen de wederdopers weer de weg van het mysticisme in. Zij verheerlijkten het innerlijke woord en spraken over de Heilige Schrift als een dode letter en een leeg symbool.
Het kostte toen veel moeite om de rechte weg te vinden. En luthersen en gereformeerden gingen ook op dit punt spoedig uiteen. De luthersen bonden Woord en Geest zo nauw samen dat ze gevaar liepen het onderscheid tussen beide uit het oog te verliezen. Ze kwamen er zelfs toe om de zaligmakende werking van de Geest op te sluiten in het woord en alleen door het woord heen de mens te laten binnengaan. Sinds de Heilige Schrift door de Heilige Geest tot stand gebracht was, had Hij daar zijn kracht tot bekering in gelegd en er als in een vat in laten rusten. Zoals het brood een natuurlijke innerlijke kracht tot voeden bezit, zo ontving de Schrift door de Heilige Geest, die haar tot stand bracht, een innerlijke, geestelijke kracht om de mens zalig te maken. Aan de Schrift komt dus niet alleen een onderwijzende werking toe, die zich op het verstand richt, of een morele werking, die zich op de wil richt. Nee, door de inwoning van de Heilige Geest heeft de Schrift een innerlijke, hart vernieuwende, zaligmakende kracht. En de Heilige Geest werkt nooit anders dan door haar heen.
Met deze opvatting konden de gereformeerden zich absoluut niet verenigen, want ook hier gold hun principe dat het eindige nooit het oneindige in zich opnemen en bevatten kan. Woord en Geest mochten dus nog zo nauw met elkaar in verband staan, ze bleven toch onderscheiden. De Geest kan werken en werkt soms ook zonder het Woord. Als Hij zich verbindt met het Woord, dan berust dat op zijn vrije keuze. Overeenkomstig zijn welbehagen werkt Hij in de regel wel in verband met het Woord, daar waar het woord aanwezig is en verkondigd wordt, dat is: in de kring van het genadeverbond, in de gemeenschap van de kerk. Maar ook dan woont Hij niet, zoals de luthersen het zich voorstelden, in de Heilige Schrift of in het gepredikte woord, maar in de gemeente als het levende lichaam van Christus. En Hij werkt ook niet door het woord heen als door een voertuig van zijn kracht. Nee, terwijl Hij zijn werking paart aan die van het woord, dringt Hij zelf persoonlijk het hart van de mensen binnen en vernieuwt het voor het eeuwige leven.




















