2 – De koning moet de ware leer onderzoeken

0
149

Daarom, onoverwinnelijke koning, is het niet onbillijk als ik u verzoek om deze zaak grondig te onderzoeken. Tot nog toe is zij wanordelijk behandeld. Buiten de rechtsorde om wordt ze opgejaagd, eerder in tomeloze hartstocht dan in gepaste ernst. En u moet niet denken dat ik hier mijzelf probeer te verdedigen, om zo veilig in mijn vaderland te kunnen terugkeren. Natuurlijk houd ik van mijn vaderland. Maar zoals de zaken nu staan, vind ik het helemaal niet erg dat ik het moet missen. Liever omhels ik de gemeenschappelijke zaak van alle gelovigen. Want dat is de zaak van Christus zelf. Een zaak die tegenwoordig in uw koninkrijk op allerlei manieren verscheurd en vertrapt wordt en er als het ware hopeloos verslagen bij ligt. Maar dat komt meer door de tirannie van sommige farizeeën dan door u.

Ik hoef hier echter niet te vertellen hoe het zo gekomen is. In ieder geval ligt onze zaak er gehavend bij. Weliswaar kunnen de goddelozen de waarheid van Christus niet vernietigen door haar te verdrijven en te verstrooien. Maar ze hebben er wel voor gezorgd dat ze zich schuilhoudt, begraven en zonder aanzien. En de arme kerk is of door wrede moorden vernietigd, of in ballingschap verdreven, of zo bedreigd en bang gemaakt, dat ze geen kik meer durft geven. Nog steeds bestormen onze tegenstanders met hun gebruikelijke razernij en woede de muur die al overhelt, om de val waar ze op uit zijn te voltooien.

Ondertussen komt er niemand naar voren om de kerk te verdedigen tegen zo’n razende woede. Er zijn wel mensen die de schijn willen wekken dat ze de waarheid heel gunstig gezind zijn. Zij vinden dat je onwetende mensen hun dwaling en domheid vergeven moet. Want zo spreken deze gematigde mensen. Ze noemen het dwaling en domheid, terwijl ze weten dat het de ontwijfelbare waarheid van God is. En ze noemen de mensen onwetend, terwijl ze zien dat Christus hun verstand goed genoeg vindt om hun de geheimen van zijn hemelse waarheid waard te keuren. Zo erg schamen zij zich allemaal voor het evangelie.

Daarom is het uw taak, luisterrijke koning, om uw oren en uw hart niet af te wenden voor zo’n rechtmatige verdediging. Vooral omdat het gaat om een belangrijke zaak. De vraag is namelijk hoe de eer van God op aarde veilig kan bestaan, hoe Gods waarheid in ere gehouden kan worden, hoe het rijk van Christus onder ons in stand kan blijven. Dit is een zaak die uw oren, uw belangstelling, uw rechterstoel waard is. Want een koning is pas echt koning als hij erkent dat hij bij het regeren van zijn rijk een dienaar van God is. Wie niet regeert om de eer van God te dienen, regeert niet als koning, maar gedraagt zich als een struikrover. En wie langdurige voorspoed verwacht als hij zijn koninkrijk niet laat regeren door Gods scepter – zijn heilig Woord – vergist zich. Immers, de hemelse uitspraak dat het volk verstrooid zal worden als de profetie ontbreekt,1 kan niet zonder betekenis zijn.

En om onze zaak ijverig te onderzoeken, daar mag u zich ook niet van laten afbrengen omdat u op ons neerkijkt in onze lage positie. We beseffen heel goed wat voor armzalige en onaanzienlijke mensjes wij zijn. Want voor God zijn we ellendige zondaars en in de ogen van de mensen zijn we heel verachtelijk. Of zo u wilt, het uitschot en uitvaagsel van de wereld2 of wat voor minderwaardige namen men ons maar geven kan. Daarom blijft er niets over waarop we ons bij God beroemen kunnen, behalve zijn barmhartigheid.3 Zonder enige verdienste van onze kant heeft Hij ons aangenomen, zodat we hoop hebben op ons eeuwig behoud.4 Bij de mensen houden we nog minder over. We hebben alleen onze zwakheid.5 Maar toegeven dat je ook maar een beetje zwak bent, vinden zij al de grootst mogelijke schande.

Onze leer moet echter hoogverheven staan boven alle wereldlijke roem en onoverwinnelijk boven alle macht. Want het is niet onze leer. Het is de leer van de levende God en van zijn Christus. De Vader heeft zijn Zoon tot koning aangesteld, om te regeren van zee tot zee en van de rivieren tot aan de einden van de aarde.6 Als Hij heel de aarde, sterk als ijzer en metaal, glanzend als goud en zilver, slaat met de roede van zijn mond, dan verbrijzelt Hij die als vaten van aardewerk. Zo profeteren de profeten over de heerlijkheid van zijn koninkrijk.7

Onze tegenstanders voeren hier wel tegen aan dat wij op een bedrieglijke manier gebruik maken van Gods Woord. Zij zeggen dat wij dat Woord op een misdadige manier schenden. Maar dit is niet alleen kwaadaardige laster, het is ook een opvallende onbeschaamdheid. U kunt dat in uw wijsheid zelf beoordelen als u mijn belijdenis leest.

Toch moet ik hier ook het een en ander zeggen om u aan te sporen en uw interesse te wekken om te gaan lezen. Of in elk geval om voor u een weg te banen om te gaan lezen. Paulus wilde dat alle profetie zou overeenstemmen met het geloof.8 Daarmee heeft hij ons een vaste maatstaf gegeven, aan de hand waarvan wij de uitleg van de Schrift moeten onderzoeken. Als onze leer dus langs deze meetlat van het geloof gelegd wordt, is de overwinning aan ons. Want wat stemt beter overeen met het geloof dan dat we erkennen dat we, als het om onze goede eigenschappen gaat, naakt staan voor God, om door Hem gekleed te worden? Dat we leeg zijn, om door Hem gevuld te worden? Dat we slaven zijn van de zonde, om door Hem bevrijd te worden? Dat we kreupel zijn, om door Hem geleid te worden? Dat we zwak zijn, om door Hem ondersteund te worden? Dat we onszelf alle reden tot roemen ontzeggen, zodat Hij alleen uitblinkt in roem, omdat wij alleen in Hem roemen?9

Als wij dit soort dingen zeggen, klagen onze tegenstanders dat we op die manier van alles omverwerpen: een ik weet niet wat voor blind natuurlijk licht, verzonnen voorbereidingen, de vrije wil, goede daden waarmee we eeuwig leven kunnen verdienen en waar dan zelfs nog iets van overblijft. Want ze kunnen niet verdragen dat de lof en roem van alle goede eigenschappen, rechtvaardigheid en wijsheid volledig bij God berust. Maar nergens lezen we dat er mensen bestraft worden die te veel putten uit de bron van het levende water.10 Wel worden degenen berispt die voor zichzelf bakken hebben uitgehouwen, lekkende bakken die geen water houden.11

Nogmaals, wat stemt beter overeen met het geloof, dan dat we ons God voorstellen als onze genadige vader en dat we Christus erkennen als onze broer en onze verzoener? Dat we alle vreugde en voorspoed onbekommerd van Hem verwachten, omdat zijn onuitsprekelijke liefde voor ons zover ging dat Hij zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons heeft overgegeven?12 Dat we rust vinden in de zekerheid van ons behoud en het eeuwige leven, omdat we bedenken dat Christus door de Vader gegeven is en dat in Hem deze schatten verborgen liggen?

Op dit punt vallen onze tegenstanders ons aan en schreeuwen dat dat vaste vertrouwen aanmatigend en ingebeeld is. Maar net zoals we ons over onszelf niets moeten inbeelden, zo moeten we wel alles verwachten van God. De enige reden dat we onszelf alle roem moeten ontzeggen, is dat we leren roemen in de Heer.13

Wat zal ik verder nog zeggen?

Machtige koning, gaat u alle onderdelen van onze zaak na. Dan mag u ons slechter vinden dan welk soort misdadigers u maar wilt, als u niet duidelijk merkt dat we het alleen maar zo moeilijk hebben en gesmaad worden omdat we onze hoop stellen op de levende God.14 Omdat we geloven dat het eeuwige leven inhoudt dat je de enige ware God kent en Jezus Christus die door Hem gezonden is.15 Om die hoop worden sommigen van ons met ketenen geboeid, anderen met roeden gegeseld. Sommigen worden rondgevoerd om bespot te worden, anderen verbannen. Sommigen worden hevig gemarteld, anderen ontkomen door te vluchten. Allemaal worden we in het nauw gebracht en onderdrukt, op vreselijke manieren vervloekt, gekrenkt door laster en op de meest onwaardige manieren behandeld.

Let u nu ook eens op onze tegenstanders. Ik bedoel de priesterstand. Op hun aanwijzing behandelen anderen ons vijandig. Kijkt u samen met mij eens wat de motivatie is voor hun ijver. Ze vinden het geen enkel probleem dat zijzelf en anderen de ware godsdienst, die in de Schrift geleerd wordt en waar iedereen zeker van hoort te zijn, niet eens kennen en die verwaarlozen en minachten. Ze vinden dat het er weinig toe doet wat iedereen denkt of niet denkt over God en Christus. Als hij maar met – zoals zij dat noemen – een impliciet geloof zijn verstand onderwerpt aan het oordeel van de kerk. Het maakt op hen weinig indruk als God openlijk gelasterd en zijn eer gekrenkt wordt. Als er maar niemand een vinger opheft tegen het primaat van de apostolische stoel en het gezag van de heilige moederkerk.

Maar waarom strijden ze dan zo wreed en bitter voor de mis, het vagevuur, bedevaarten en meer van dergelijke onbenulligheden? Ze kunnen niet eens bewijzen dat een van die dingen volgens Gods Woord is. Waarom zeggen ze dan dat er zonder – zoals zij dat noemen – een heel expliciet geloof in die dingen geen vroomheid kan bestaan? Waarom anders dan omdat hun buik hun God is16 en hun keuken hun godsdienst? Als die hen worden afgenomen, geloven ze dat ze niet alleen geen christenen meer zouden zijn, maar zelfs geen mensen. Sommigen doen zich te goed in overdaad, anderen leven van schrale korstjes. Maar toch leven ze allemaal uit dezelfde pot. Een pot die zonder die brandstoffen niet alleen maar koud zou worden, maar volledig zou bevriezen.

Wie van hen zich het meest druk maakt om zijn buik, blijkt daarom ook het hardst te strijden voor zijn geloof. Kortom, zonder uitzondering streven ze maar één ding na: óf ze willen aan de macht blijven, óf ze willen hun buik gevuld houden. Niemand geeft ook maar een beetje blijk van oprechte ijver.

1Spreuken 29:18

21 Korinthiërs 4:13

32 Korinthiërs 10:17

4Titus 3:5

52 Korinthiërs 11:30; 2 Korinthiërs 12:5-10

6Psalm 72:8

7Daniël 2:34; Jesaja 11:4; Psalm 2:9

8Romeinen 12:6 (12:7)

91 Korinthiërs 1:31

10Johannes 4:14

11Jeremia 2:13

12Romeinen 8:32

13Jeremia 9:23-24

141 Timotheüs 4:10

15Johannes 17:3

16Filippenzen 3:19

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in