2.8.6 – Het gaat in de tien geboden niet om de buitenkant maar om het innerlijk

0
114

Maar wanneer ik straks de wet van de Heer heb uitgelegd, zal wat ik eerder besproken heb over de functies van de wet, nog duidelijker en met nog meer vrucht bevestigd zijn. Maar voordat ik elk gebod apart ga behandelen, is het goed om eerst eens te kijken naar wat helpt om de wet in het algemeen te kennen.

In de eerste plaats moeten we vaststellen dat het leven van de mens in de wet niet alleen gevormd wordt tot een uiterlijke rechtvaardigheid. Het gaat ook om een innerlijke, geestelijke rechtvaardigheid. Niemand kan dat ontkennen, maar toch hebben heel weinig mensen daar voldoende aandacht voor. Dat komt omdat ze niet op de wetgever letten. Zo als de wetgever is, zo moet ook het wezen van de wet beoordeeld worden.

Als zomaar een koning bij wet verbiedt ontucht, moord of diefstal te plegen, dan zal iemand die wel graag ontucht, moord of diefstal wil plegen maar die dingen niet daadwerkelijk gedaan heeft, geen sanctie opgelegd krijgen. Dat geef ik toe. Immers, de zorg van een sterfelijke wetgever reikt niet verder dan wat tot uiting komt in de maatschappij. En dus worden zijn geboden pas overtreden als de misdaad gepleegd wordt. Maar voor Gods ogen is niets verborgen. En Hij is niet zozeer geïnteresseerd in uiterlijke schijn, maar meer in een rein hart. Als hij ontucht, moord en diefstal verbiedt, verbiedt Hij ook wellust, woede, haat, begeerte naar het bezit van een ander, bedrog, enzovoort. Want Hij is een geestelijk wetgever en dus spreekt Hij de ziel net zo goed aan als het lichaam. En moord door de ziel bestaat uit woede en haat, diefstal door de ziel uit slechte begeerte en hebzucht, ontucht door de ziel uit wellust.

Misschien zegt iemand dat ook menselijke wetten rekening houden met wat iemand zich heeft voorgenomen en wil bereiken en niet alleen kijken naar de toevallige afloop. Ik geef dat toe. Maar menselijke wetten kijken alleen naar wat daarvan aan de buitenkant zichtbaar is. Bij elke misdaad zoeken ze uit met welke bedoeling die gepleegd is. Maar ze pluizen geen verborgen gedachten na. Daarom voldoe je aan menselijke wetten zolang je met je hand geen overtredingen begaat. Echter, de hemelse wet is gegeven voor onze ziel. Om je aan die wet te houden, moet je dus in de eerste plaats geen overtredingen begaan met je ziel.

Maar de grote massa van de mensen doet zijn uiterste best om niet de schijn te wekken dat ze de wet verachten. Ogen, voeten, handen en al hun lichaamsdelen zetten ze in om zich tot op zekere hoogte aan de wet te houden. Maar ondertussen blijft hun hart er volledig buiten staan. Ze denken dat ze er vanaf zijn als ze voor de mensen netjes verborgen houden wat ze onder het oog van God toch doen. Ze horen: je mag niet doden, je mag geen overspel plegen, je mag niet stelen. Ze trekken geen zwaard om iemand te vermoorden, ze hebben geen seksuele gemeenschap met een hoer, ze steken geen vinger uit naar het bezit van een ander. Tot zover allemaal prima. Maar heel hun hart is vol moordzucht, ze branden van wellust, ze kijken met een scheef oog naar ieders bezit en verslinden het met hun begeerte. Het ontbreekt hun dus juist aan wat in de wet het belangrijkste is. Hoe komt dat anders, vraag ik, dan doordat ze de wetgever negeren en de rechtvaardigheid liever aanpassen aan hun eigen aard?

Tegen hen verzet Paulus zich sterk. Hij verzekert dat de wet geestelijk is.1 Daarmee geeft hij aan dat de wet niet alleen eist dat we met onze ziel, verstand en wil gehoorzamen. De wet verlangt dat we net zo zuiver zijn als de engelen. We moeten gereinigd worden van al het vuil van het vlees en alleen maar smaken naar de geest.

1Romeinen 7:14

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in