2.8.45 – Het achtste gebod

Je mag niet stelen.

De bedoeling van dit gebod is dat we ieder moeten geven wat hem toekomt. Exodus 20:15; Romeinen 13:7 Want God vindt onrecht heel erg. De kern is dus dat het voor ons verboden is om te proberen het bezit van iemand anders in handen te krijgen. En dus ook dat ons bevolen wordt om trouw ons best te doen om anderen te helpen zijn bezit te bewaren. Want we moeten bedenken dat niemand door het toeval zijn bezit toegespeeld gekregen heeft. De hoogste Heer van alle dingen heeft het uitgedeeld. Je kunt je dus nooit door perverse listen het bezit van iemand anders toe-eigenen, of je schaadt Gods verdeling.

Er bestaan echter verschillende soorten diefstal. De ene soort gebeurt met geweld, als je het bezit van een ander uit brutale roofzucht hardhandig wegrukt. Een andere soort bestaat uit sluw bedrog, als je het bezit van een ander door fraude onderschept. Een derde soort gaat gepaard met geniepige slimmigheidjes, als je het bezit van een ander hem ogenschijnlijk rechtmatig ontfutselt. Weer een andere soort ligt in vleierij, als je het bezit van een ander van hem aftroggelt onder het mom van een geschenk.

Maar we moeten maar niet te lang blijven stilstaan bij een opsomming van alle soorten diefstal. We moeten weten dat we alle tactieken waardoor het bezit en het geld van onze naaste onze kant op komt, als diefstal moeten beschouwen – als zulke tactieken niet uitgaan van oprechte liefde, maar van het verlangen om onze naaste te bedriegen of op een of andere manier schade toe te brengen. Zelfs al houden die tactieken stand voor de wereldlijke rechtbank, God beschouwt ze als niets anders dan diefstal. Hij ziet immers de lange rij lagen en listen waarin een sluw mens een meer simpele ziel probeert te verstrikken tot hij hem eindelijk weet te verschalken. Hij ziet de strenge, onmenselijke wetten waarmee een machtig iemand een zwakker persoon onderdrukt en verplettert. Hij ziet de lokmiddelen waarmee een slimmerd een argeloos iemand aan de haak slaat. Allemaal dingen die het menselijk oordeel ontgaan en die niet in aanmerking komen voor een strafrechtelijk onderzoek.

En dit onrecht vindt niet alleen plaats als het gaat om geld, handelswaar of landbezit. Het vindt plaats bij alles waar iemand recht op kan hebben. Want we ontvreemden het bezit van onze naaste als we weigeren de diensten te verrichten die we hem verschuldigd zijn. Als een luie rentmeester of opzichter het bezit van zijn heer er doorjaagt in plaats van dat hij de belangen van diens huis behartigt. Als hij het vermogen dat hem is toevertrouwd onrechtmatig verspilt of in overdaad verkwist. Als een knecht de spot drijft met zijn meester. Als hij diens geheimen onthult, als hij zowel zijn leven als zijn bezit verraadt. Als andersom een heer zijn personeel wreed kwelt. Dan oordeelt de Heer dat zo iemand schuldig is aan diefstal. Want wie niet doet waar hij volgens zijn taak toe geroepen is en wat hij aan anderen verplicht is, drukt het bezit van een ander achterover en eigent zich dat toe.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.