2.8.22 – Het derde gebod

0
120

Je mag de naam van JHWH, jouw God, niet misbruiken.1

De bedoeling van dit gebod is dat God wil dat de majesteit van zijn naam voor ons heilig is. De kern is dus dat we zijn naam niet mogen ontheiligen door die te minachten of door er oneerbiedig mee om te gaan. Met dit verbod correspondeert meteen ook het gebod dat we ons best ervoor moeten doen en ervoor moeten zorgen dat we Gods naam godsdienstig vereren. Daarom horen we in wat we denken en zeggen bereid te zijn om over God en over zijn mysteries alleen maar eerbiedig en bescheiden te denken en te spreken. En als we zijn daden beoordelen, moet alles wat we daarover denken tot zijn eer zijn.

Volgens mij zijn er drie dingen waar we zorgvuldig op moeten letten. In de eerste plaats moet elk idee dat we van Hem hebben en alles wat we over Hem zeggen in overeenstemming zijn met hoe geweldig Hij is. Het moet passen bij de heilige verhevenheid van zijn naam en bovendien geschikt zijn om zijn grootsheid te prijzen. In de tweede plaats mogen we zijn heilig Woord en zijn aanbiddelijke mysteries niet zomaar of verkeerd gebruiken. Of we dat nu doen uit eerzucht, uit hebzucht of voor de lol. Zijn Woord en zijn mysteries dragen de waardigheid mee van zijn naam. Daarom moeten wij die altijd met eerbied en ontzag behandelen. Ten slotte mogen we geen kritiek hebben op wat Hij doet. Ellendige mensen mopperen vaak op God. Maar als wij vertellen wat Hij doet, moeten we steeds zijn wijsheid, rechtvaardigheid en goedheid prijzen.

Zo wordt Gods naam geheiligd. Als het anders toegaat, wordt zijn naam door zinloos en verkeerd gebruik besmeurd. Want dan wordt zijn naam gebruikt op een andere manier dan de enige juiste manier waarvoor Gods naam bestemd is. En ook al gebeurt er verder niets verkeerds, dan wordt Gods naam toch steeds meer geminacht, omdat Hij ontdaan is van zijn waardigheid. En als het al zo erg is om Gods naam zomaar, luchthartig en ongepast te gebruiken, dan is het nog veel erger als je zijn naam gebruikt voor een goddeloos doel. Dat doen mensen die zich van Gods naam bedienen bij het oproepen van doden, afschuwelijke vervloekingen, verboden geestenbezwering en andere goddeloze toverpraktijken.

Maar in dit gebod gaat het vooral over de eed. Als je bij de eed Gods naam verkeerd gebruikt, is dat het ergst. En dat moet ons afschrikken om in het algemeen Gods naam te ontheiligen. Het gaat hier over het dienen van God en het eren van zijn naam. Het gaat hier niet over de rechtvaardigheid die tussen mensen onderling in praktijk gebracht moet worden. Dat blijkt uit het feit dat God later in de tweede tafel meineed en het afleggen van valse getuigenissen veroordeelt. Dat raakt de menselijke samenleving. Maar dat verbod zou een overbodige herhaling zijn als het in dit gebod over de plicht van de liefde ging. Bovendien is dit ook logisch gezien het onderscheid tussen de beide tafels. God heeft, zoals ik gezegd heb, zijn wet niet voor niets in twee tafels verdeeld. Daaruit kun je opmaken dat God hier opkomt voor zichzelf en voor de heiligheid van zijn naam. Hij leert hier niet wat mensen elkaar verplicht zijn.

1Exodus 20:7

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in