2.8.16 – Het eerste gebod

Nadat God het gezag van zijn wet gefundeerd en bevestigd heeft, geeft Hij het eerste gebod: we mogen voor zijn ogen geen andere goden hebben. Exodus 20:3 De bedoeling van dit gebod is dat de Heer bij zijn volk als enige bovenaan wil staan. Hij wil het volle gezag hebben waar Hij recht op heeft. Om dat te realiseren beveelt Hij dat wij ons ver moeten houden van elke goddeloosheid en bijgeloof. Want dat zou afdoen aan Gods eer en die verduisteren. Bovendien beveelt Hij dat we Hem met oprechte, vrome ijver moeten eren en aanbidden. Dat blijkt eigenlijk al simpelweg uit de woordkeus. Immers, we kunnen God niet hebben als we niet tegelijk ook accepteren wat van Hem is. Door een verbod op het hebben van andere goden, geeft God aan dat we niet aan een ander mogen geven wat van Hem is.

We zijn God ontelbaar veel dingen verplicht, maar we kunnen ze toch behoorlijk terugbrengen tot vier kernpunten: aanbidden – met daarbij de geestelijke gehoorzaamheid van het geweten – vertrouwen, aanroepen en danken.

Aanbidden noem ik het eren en dienen van God. Dat doe je als je je aan zijn grootheid onderwerpt. Daarom is het niet onterecht dat ik als een onderdeel daarvan beschouw dat we ons geweten onderwerpen aan zijn wet. Want zo eren we Hem geestelijk als de soevereine koning die het oppergezag heeft over onze ziel.

Vertrouwen houdt in dat we ons geen zorgen maken, maar rust vinden in Hem, omdat we zijn goede eigenschappen kennen. Als we alle wijsheid, rechtvaardigheid, macht, waarheid en goedheid in Hem plaatsen, zoeken we ons geluk alleen in het deelhebben aan Hem.

Aanroepen betekent dat we bij elke dringende behoefte met onze geest uitwijken naar zijn trouw en hulp, omdat alleen daar bescherming is.

Danken bestaat uit een dankbaarheid waarmee we God de eer geven voor al het goede.

Het is voor de Heer onacceptabel als er van deze vier iets aan een ander gegeven wordt. En daarom beveelt Hij dat ze alle vier volledig aan Hem gegeven moeten worden. Het zou immers niet genoeg zijn als je je onthoudt van het dienen van een andere god. Sommige mensen die God verachten, doen dat. Zij gooien alle godsdiensten op een hoop en bespotten ze allemaal tegelijk. Maar je moet je houden bij deze ene God. Eerst moet de ware godsdienst komen. Daardoor wordt de ziel tot de levende God gebracht. Doordrongen van de kennis van God moet de ziel haar best doen om zijn majesteit te aanvaarden, te vrezen en te eren, om te delen in zijn goede gaven, om bij alles zijn hulp te zoeken en om de grootheid van zijn daden te erkennen, te loven en te prijzen. Dat is het enige doel bij al je doen en laten in het leven. Vervolgens moet je oppassen voor elk verkeerd bijgeloof. Door bijgeloof keert de ziel zich van de echte God af en wordt zij her en der naar allerlei afgoden geleid.

Als we met de enige God tevreden zijn, moeten we dus terugdenken aan wat ik eerder gezegd heb: alle verzonnen goden moeten we wegdoen. De dienst die God alleen voor zichzelf opeist, mogen we niet in stukken snijden. Want het is niet toegestaan om een stukje van zijn eer – al is het nog zo klein – af te doen. Alles waar Hij recht op heeft, moeten we bij Hem laten.

Het zinsdeel dat erop volgt – ‘voor mijn ogen’ – maakt het allemaal nog erger: telkens als wij onze verzinsels in plaats van God stellen, wordt God jaloers. Net zoals een zedeloze vrouw haar man extra pijn doet als ze hem de man onder ogen brengt met wie ze overspel pleegt. Doordat God met zijn kracht en genade bij hen was, bewees God dat Hij het volk dat Hij had uitverkoren in het oog hield. Daarom waarschuwt Hij hen dat ze geen nieuwe goden kunnen nemen zonder dat Hij van zo’n heiligschennis getuige en toeschouwer is. Zo wil Hij hen extra afschrikken voor de misdaad dat ze hem verraden. Want als ze zo brutaal zijn, komt daar nog een flinke dosis goddeloosheid bij: dat ze denken dat ze in hun verraad God een rad voor ogen kunnen draaien.

Integendeel, de Heer roept uit dat alles Hem onder ogen komt, wat we ook beramen, wat we ook proberen, wat we ook beginnen. Als we willen dat onze godsdienst God plezier doet, moet ons geweten dus schoon blijven, zelfs van de meest verborgen gedachten aan verraad. Want God eist dat zijn eer intact en ongeschonden blijft. Niet alleen in wat we openlijk belijden, maar ook voor zijn ogen. En die doorzien de meest verborgen schuilhoeken van ons hart.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.