2.8.15 – De bevrijding uit de slavernij

0
83

Vervolgens herinnert God zijn volk eraan wat Hij voor hen gedaan heeft. Ondankbaarheid is een afschuwelijke misdaad, zelfs tussen mensen. Daarom moet God zijn volk extra sterk herinneren aan wat Hij voor hen gedaan heeft. Anders komen ze niet in beweging. Weliswaar herinnerde Hij Israël toen aan iets wat Hij nog maar pas voor hen gedaan had. Maar dat was zoiets wonderlijks en groots, dat het het waard was om voor eeuwig in herinnering te blijven, ook bij het nageslacht. Bovendien past het uitstekend bij het moment waarop de wet werd uitgevaardigd: de Heer maakt duidelijk dat Hij hen uit de ellendige slavernij verlost heeft met de bedoeling dat ze Hem als de bewerker van hun vrijheid zouden eren, door Hem te gehoorzamen en zich vrijwillig aan Hem te onderwerpen.

Want het is Gods gewoonte om zichzelf aan te duiden met bepaalde benamingen, waarmee Hij zijn heilige majesteit onderscheidt van de afgoden. Zo wil Hij ons houden bij de ware dienst aan Hem. Want, zoals ik eerder gezegd heb, wij zijn zo brutaal en daardoor zo geneigd tot onzin, dat we ons verstand niet in toom kunnen houden, zodra het over God gaat. We vervallen meteen in een leeg verzinsel. Om ons een geneesmiddel te geven voor dit kwaad, tooit God zichzelf met bepaalde titels. Het is net alsof Hij zo een hek om ons heen zet, zodat we niet hierheen of daarheen kunnen afdwalen en niet zomaar een nieuwe God kunnen verzinnen als we de levende God verlaten en een afgod oprichten.

Telkens als de profeten God specifiek willen aanduiden, tooien ze Hem daarom met de kenmerken waarmee Hij zich aan het volk Israël geopenbaard had. Zo bakenen ze Hem als het ware af. God wordt de God van Abraham of de God van Israël genoemd.1 Hij wordt gepositioneerd in de tempel in Jeruzalem, tussen de cherubs.2 Deze uitdrukkingen binden God niet vast aan één plek en één volk. Ze worden alleen gebruikt om de gedachten van de vromen gericht te houden op die God die een verbond gesloten heeft met Israël. Zo heeft Hij zichzelf laten zien en van dat beeld mag je absoluut niet afwijken.

In elk geval moeten we dit vasthouden: de verlossing wordt genoemd zodat de joden zich extra enthousiast overgeven aan God die hen terecht voor zich opeist. En we moeten niet denken dat dat ons niets aangaat. We moeten bedenken dat de slavernij van Israël in Egypte een beeld is van de geestelijke gevangenschap. Daar zitten we allemaal in gevangen totdat onze hemelse redder ons met de kracht van zijn arm verlost en ons naar het koninkrijk van de vrijheid brengt. Eens heeft God de verstrooide Israëlieten verlost uit het ondraaglijke bewind van de farao, omdat Hij hen wilde terugbrengen bij het dienen van zijn naam. En zo bevrijdt Hij nu uit de dodelijke macht van de duivel, iedereen aan wie Hij nu verzekert dat Hij hun God is. Want de fysieke slavernij was een schaduw van de geestelijke slavernij.

Daarom is er niemand die in zijn hart niet in vuur en vlam moet raken, om te luisteren naar de wet, die – zo hoort hij – afkomstig is van de hoogste koning. Want omdat alles van Hem afkomstig is, hoort alles in Hem zijn bestemming te zien en zich op Hem te richten. Niemand is er, zeg ik, die zich niet moet laten meeslepen om de wetgever te omhelzen. Ieder moet leren dat hij speciaal is uitverkoren om zich aan de geboden van die wetgever te houden. Van de welwillendheid van die wetgever moet ieder een overvloed verwachten van al het goede en bovendien de heerlijkheid van een oneindig leven. Ieder moet weten dat hij door de wonderlijke kracht en barmhartigheid van die wetgever bevrijd is uit de muil van de dood.

1Exodus 3:6

2Amos 1:2; Habakuk 2:20; Psalm 80:2; Psalm 99:1; Jesaja 37:16

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in