2.8.1 – De Tien Geboden en het kennen van God en onszelf

0
209

Ik denk dat het niet verkeerd is om nu eerst een korte uitleg te geven van de Tien Geboden van de wet. Want ik denk dat dan nog duidelijker blijkt wat ik al even genoemd heb: dat de dienst die God eenmaal heeft voorgeschreven nog steeds van belang is. En bovendien zal dat in de tweede plaats ook niet alleen bevestigen dat de Joden uit de wet leerden wat echte vroomheid inhoudt, maar ook dat ze tegen wil en dank naar de middelaar getrokken werden, uit angst voor het oordeel, omdat ze zagen dat ze niet in staat waren tot die vroomheid.

2.8.1 – De Tien Geboden en het kennen van God en onszelf

Verder heb ik bij de uitleg van wat de kern is van wat we moeten weten om God echt te kennen, geleerd dat we Hem in zijn grootheid niet kunnen begrijpen zonder dat we meteen zijn majesteit ontmoeten. Die majesteit bindt ons aan Hem om Hem te dienen. En bij het kennen van onszelf heb ik als belangrijkste punt genoemd dat ons geloof in eigen kracht en ons vertrouwen op eigen rechtvaardigheid ons afgenomen moeten worden. We moeten juist gebroken en verslagen raken door het besef van onze armoede. Zo leren we echt nederig te worden en een hekel aan onszelf te krijgen.

Deze beide dingen realiseert God in zijn wet. Eerst eist Hij voor zichzelf de macht op om te bevelen. Hij roept ons op om eerbied te hebben voor zijn goddelijke wil. En Hij schrijft voor waar die eerbied in zit en waar die uit bestaat. Vervolgens kondigt Hij de norm af van zijn rechtvaardigheid. En als Hij dat gedaan heeft, verwijt Hij ons zowel onze onmacht als onze onrechtvaardigheid. Want omdat ons verstand bedorven en misvormd is, verzetten wij ons voortdurend tegen Gods rechtvaardigheid. Er zit een gat tussen de volmaaktheid van Gods rechtvaardigheid en ons vermogen. Want wij zijn te zwak en te week om het goede te doen.

Verder worden juist de dingen die we moeten leren uit de twee tafels ons ook al voorgehouden door de wet binnen in ons. Zoals ik hiervóór gezegd heb, is die wet bij ons allemaal in het hart geschreven en ingeprent. Want ons geweten staat ons niet toe om voortdurend bewusteloos in slaap te blijven. Ons geweten getuigt in ons en herinnert ons eraan wat we God schuldig zijn. Het houdt ons het verschil voor tussen goed en kwaad. En zo klaagt ons geweten ons aan als we tekortschieten in wat we verplicht zijn.

Maar de mens is zo verwikkeld in dwalingen dat hij door die natuurlijke wet nauwelijks iets proeft van hoe God gediend wil worden. In elk geval blijft hij heel ver verwijderd van de juiste manier om God te dienen. Bovendien zit hij vol arrogantie en eerzucht en is hij verblind door liefde voor zichzelf. Daardoor is hij niet in staat tot zelfreflectie. Hij kan niet in zichzelf afdalen om bescheidenheid en nederigheid te leren en om zijn ellende te leren kennen.

Daarom heeft de Heer ons de wet ook schriftelijk gegeven. Dat was nodig omdat we zo stompzinnig en koppig zijn. De schriftelijke wet kan duidelijker getuigen van wat in de natuurlijke wet niet duidelijk genoeg was. En de schriftelijke wet kan meer indruk maken op ons verstand en ons geheugen en zo onze verlamming verdrijven.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in