Insitutie Boek 2 – God als verlosser in Christus 2.7 – Christus in de wet 2.7.1 – De rituele wet was waardeloos zonder Christus

2.7.1 – De rituele wet was waardeloos zonder Christus

Ongeveer vierhonderd jaar na de dood van Abraham is de wet gegeven. Galaten 3:17 Uit de ononderbroken reeks Schriftbewijzen die ik geciteerd heb, blijkt dat dat niet gebeurd is om het uitverkoren volk af te leiden van Christus. Het doel was juist dat ze met hun hart vol verwachting zouden uitkijken naar zijn komst. De wet moest hen aansporen om naar Hem te verlangen en hun tijdens het wachten de kracht geven om de moed niet op te geven als het te lang duurde.

Onder de wet versta ik niet alleen de Tien Geboden die voorschrijven aan welke norm je je moet houden om vroom en rechtvaardig te leven – de morele wet. Ik versta onder de wet ook de inrichting van de godsdienst die God via de hand van Mozes overgeleverd heeft – de rituele wet.

Mozes is immers niet als wetgever gegeven om de zegen die aan het nageslacht van Abraham was beloofd ongedaan te maken. We zien juist dat hij de Joden telkens weer herinnert aan het genadeverbond dat met hun voorvaders gesloten was en waar zij de erfgenamen van waren. Het was alsof Mozes gezonden was om dat verbond te hernieuwen.

Uit de rituelen bleek dat heel duidelijk. Want wat is zo onzinnig en waardeloos als dat mensen stinkend dierenvet offeren om zich met God te verzoenen? Dat ze hun toevlucht nemen tot het sprenkelen van water of bloed om hun eigen vuil af te wassen? Kortom, op zichzelf beschouwd is de hele godsdienst van de wet iets belachelijks, als je niet ziet hoe de schaduwen en afbeeldingen corresponderen met de waarheid. Niet voor niets wordt zowel in de preek van Stefanus als in de brief aan de Hebreeën heel precies de passage geciteerd waar God Mozes beveelt dat hij de tabernakel en alles wat daarbij hoort, moest maken naar het voorbeeld dat hij op de berg te zien had gekregen. Handelingen 7:44; Hebreeën 8:5; Exodus 25:40 Want als de Joden in de rituelen niet iets geestelijks voor ogen gesteld was, zouden zij daarin net zo goed hun energie verspild hebben als de heidenen met hun waardeloze onzinnigheden.

Goddeloze mensen die nooit serieus hun best gedaan hebben om vroom te leven, kunnen alleen maar afkeer voelen als ze horen over zoveel verschillende rituelen. En zij vragen zich verwonderd af waarom God het oude volk met zo’n enorm aantal rituelen belast heeft. Maar ze minachten ze en maken ze belachelijk als kinderspel. Want ze letten niet op de betekenis van die rituelen. Als je de zichtbare vormen van de wet losmaakt van hun betekenis, kun je ze alleen maar als nutteloos veroordelen. Maar dat die vormen een afbeelding zijn van iets anders, laat zien dat God de mensen die Hem dienen niet heeft opgedragen om offers te brengen omdat Hij wilde dat ze zich druk zouden maken met aardse bezigheden. Hij wilde juist dat ze hun gedachten omhoog richten.

Dat kun je ook duidelijk afleiden uit Gods natuur. Want Hij is geestelijk. Daarom is Hij er ook alleen maar blij mee als Hij geestelijk gediend wordt. Dat bewijzen ook vele uitspraken van de profeten. Zij beschuldigden de Joden van onwetendheid, omdat ze dachten dat offers voor God betekenis hebben. Wilden de profeten met deze woorden iets afdoen aan de wet? Absoluut niet. Zij waren juist de echte uitleggers van de wet. Daarom wilden ze met deze woorden bereiken dat de grote massa haar ogen richtte op het einddoel van de wet. Want daar dwaalde ze vanaf.

Alleen al uit de genade die aan de Joden werd aangeboden, kun je met zekerheid afleiden dat Christus niet ontbrak in de wet. Want Mozes deelde hun mee dat het doel van hun adoptie als kinderen was dat ze een priesterlijk koninkrijk zouden vormen voor God. Exodus 19:6 Dat konden ze alleen maar bereiken als er een verzoening tussenbeide kwam die groter en beter zou zijn dan een verzoening door dierenbloed. De kinderen van Adam worden immers allemaal geboren als slaven van de zonde. Het zou dus heel onnatuurlijk zijn als ze verheven zouden worden tot de koninklijke waardigheid en zo deel zouden hebben aan Gods glorie. Dat kon alleen als ze zoiets schitterends van iemand anders zouden krijgen. En hoe zou het recht op het priesterschap onder hen kunnen bestaan als ze niet in een heilig hoofd geheiligd waren? Zelf waren ze immers door het vuil van hun zonden weerzinwekkend voor God.

Daarom heeft Petrus gelijk dat hij deze uitspraak van Mozes omkeert, als hij leert dat in Christus de volledige genade aan het licht gebracht is. Een genade, waar de Joden onder de wet alleen maar een voorproefje van hadden. ‘Jullie zijn een uitverkoren geslacht,’ zegt Petrus, ‘een koninklijk priesterschap.’ 1 Petrus 2:9 Door de woorden om te keren wil hij aangeven dat zij, omdat Christus aan hen verschenen is, meer gekregen hebben dan hun voorvaders. Want ze zijn bedeeld met priesterlijke en koninklijke eer. Omdat ze vertrouwen op hun middelaar, durven ze God vrijuit onder ogen komen.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. In 2019 heb ik bovendien een gedrukte versie en een e-bookversie uitgegeven.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.