2.6.1 – We hebben Christus nodig

Heel het menselijk geslacht is in Adam verloren gegaan. Daarom hebben we weinig meer aan onze geweldige, edele oorsprong, waar ik het over gehad heb. Die is juist een nog grotere schande voor ons. Mensen die door de zonde besmeurd en bedorven zijn, erkent God niet als zijn werk. Totdat God in de persoon van zijn eniggeboren Zoon als verlosser verschijnt. Sinds we van het leven in de dood zijn weggezonken, zouden we niets meer hebben aan alle kennis van God als schepper die we behandeld hebben, als daar niet ook het geloof bij zou komen waardoor we God te zien krijgen als een Vader in Christus.

Oorspronkelijk was het de bedoeling dat het bouwwerk van de wereld voor ons een leerschool zou zijn om te leren vroom te zijn. Zo zouden we het eeuwige leven en het volmaakte geluk moeten bereiken. Maar na onze val komen we overal, waar we ook kijken, boven en beneden, Gods vloek tegen. Want de onschuldige schepselen worden door onze schuld door die vloek getroffen. Daarom moet dat onze ziel wel met wanhoop vervullen. God wil nog wel op allerlei manieren zijn vaderliefde voor ons laten zien. Maar toch kunnen we uit de aanblik van de wereld niet opmaken dat Hij onze Vader is. Want binnen in ons knaagt ons geweten. Dat laat ons zien dat de zonde voor God terecht reden is om ons te verwerpen en ons niet langer als zijn kinderen te beschouwen.

Daar komt bij dat onze geest is afgestompt en dat we ondankbaar zijn. Ons verstand is verblind en de waarheid ontgaat ons. Al onze zinnen zijn bedorven en met boze opzet beroven we God van zijn glorie. Zo komen we toe aan wat Paulus zegt: ‘In Gods wijsheid heeft de wereld door haar wijsheid God niet leren kennen. Daarom heeft God besloten om hen die geloven te redden door de dwaasheid van de prediking.’ 1 Korinthiërs 1:21 Het schitterende toneel van hemel en aarde noemt Paulus Gods wijsheid. Ze zijn vol ontelbaar veel wonderen. De aanblik daarvan had ons zo wijs moeten maken dat we God zouden leren kennen. Maar we schieten er maar weinig mee op. Daarom roept Paulus ons terug tot geloof in Christus. Maar de ongelovigen hebben een afkeer van dat geloof, omdat het dwaas lijkt. De prediking van het kruis beantwoordt dus niet aan het menselijk verstand. Toch moeten we die prediking nederig aannemen als we verlangen om terug te keren naar God, onze schepper en maker. We zijn van Hem vervreemd, maar vanaf dat moment is Hij onze Vader weer.

Vast en zeker is het na de val van de eerste mens op geen enkele manier mogelijk geweest om God zo te kennen, dat je daardoor gered kon worden zonder de middelaar. Romeinen 1:16 Want Christus heeft het niet alleen over zijn eigen tijd maar over alle tijden samen, als Hij zegt dat het eeuwige leven inhoudt dat je de Vader, de enige echte God, kent en Jezus Christus, die Hij gezonden heeft. Johannes 17:3 Daarom is het extra schandalig dat sommigen zo onwetend zijn dat ze de hemel openstellen voor alle goddelozen en ongelovigen, zonder de genade van Hem die – zoals de Schrift op veel plaatsen leert – de enige deur is waardoor we de volmaaktheid kunnen binnengaan.

Als iemand deze uitspraak van Christus wil beperken tot de tijd waarin het evangelie geopenbaard werd, dan ligt het weerwoord klaar: in alle tijden en bij alle volken konden volgens de publieke opinie mensen die van God vervreemd en vervloekt waren en kinderen van de woede genoemd werden niet bij God in de gunst komen zonder dat er verzoening gedaan werd. Daar komt nog bij wat Christus antwoordt aan de Samaritaanse vrouw: ‘Jullie weten niet wat jullie aanbidden. Wij weten wel wat we aanbidden. Want de redding komt van de Joden.’ Johannes 4:22 Met die woorden veroordeelt Hij niet alleen alle godsdiensten van de heidenen als vals. Hij wijst ook aan waarom ze vals zijn: de verlosser is onder de wet alleen beloofd aan het uitverkoren volk. Dat betekent dat God nooit blij geweest is met welke godsdienst ook, als die niet opkeek naar Christus. En daarom verklaart ook Paulus dat alle heidenen zonder God waren en de hoop op het leven waren kwijtgeraakt. Efeziërs 2:12 Bovendien leert Johannes dat het leven vanaf het begin in Christus was en dat heel de wereld daarvan afgevallen is. Johannes 1:4 We moeten dus terugkeren naar de bron. En daarom verklaart Christus dat Hij als verzoener het leven is. Johannes 11:25; 14:6

En het is echt zo dat alleen Gods kinderen recht hebben op de erfenis van de hemel. Maar het is absoluut niet toegestaan om als kinderen mensen te beschouwen die niet geënt zijn in het lichaam van de eniggeboren Zoon. En Johannes verklaart duidelijk dat je alleen kind van God genoemd wordt als je in zijn naam gelooft. Johannes 1:12

Maar het is niet mijn bedoeling om nu al uitdrukkelijk het geloof in Christus te behandelen. Het moet dus genoeg zijn dat ik dit terloops aangestipt heb.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. Een verbeterde versie van deze vertaling is verkrijgbaar in druk en als e-book. Het zal nog even duren voor alle laatste correcties ook op de website doorgevoerd zijn.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.