2.5.2 – Inderdaad is er geen ruimte om zelf iets te verdienen

0
75

Verder luidt de kritiek van mijn tegenstanders dat het ongepast is dat de mens straf krijgt of beloond wordt als goede en slechte daden niet voortkomen uit een vrije keus van de wil. Dit argument is afkomstig van Aristoteles. Maar ik geef toe dat Chrysostomos en Hiëronymus het ook gebruikt hebben. Echter, Hiëronymus zelf ontkent niet dat de pelagianen dit argument gebruikten. Hij citeert hen zelfs in hun eigen woorden: ‘Als de genade van God in ons werkt, dan is de erekrans voor die genade en niet voor ons. Want dan hebben wij het werk niet gedaan.’

Wat betreft de straffen is mijn antwoord dat we terecht gestraft worden. Want de bron van de schuld voor de zonde ligt in onszelf. Wat maakt het uit of we zondigen uit een vrije of uit een slaafse keuze? We zondigen toch omdat we dat zelf willen. En het beste bewijs dat de mens een zondaar is, is toch dat hij slaaf is van de zonde?

Wat betreft de beloningen voor onze rechtvaardigheid, is het echt zo absurd als we erkennen dat die beloningen afhankelijk zijn van Gods welwillendheid en niet van wat we zelf verdiend hebben? Hoe vaak vind je niet bij Augustinus dat God niet onze verdiensten een erekrans geeft, maar zijn eigen gaven. En dat ze geen beloningen genoemd worden omdat we daar recht op hebben omdat we het verdiend hebben, maar omdat daarmee de genadegaven beloond worden die God ons eerder al gegeven heeft.

Inderdaad is het heel scherpzinning van mijn tegenstanders als ze opmerken dat er geen ruimte meer is om zelf iets te verdienen als wat we verdienen niet voortkomt uit de bron van de vrije wil. Maar ze dwalen heel erg als ze vinden dat dat een afwijkend standpunt is. Augustinus aarzelt immers niet om wat zij zo ongepast vinden op meerdere plaatsen te leren als iets essentieels. Hij zegt bijvoorbeeld: ‘Wat hebben alle mensen verdiend? Hij die als enige vrij is van zonde en onze verlosser is, komt niet met het loon dat wij verdiend hebben. Hij komt met onverdiende genade. En als Hij komt, vindt Hij alleen maar zondaars.’1

Ook zegt Augustinus: ‘Als je betaald krijgt wat je verdient, moet je gestraft worden. Maar wat gebeurt er? God geeft je niet de straf die je verdient, maar onverdiende genade. Als je geen deel wilt hebben aan die genade, beroem je dan maar op je eigen verdiensten.’2 En: ‘Uit jezelf ben je niets. Je zonden zijn van jezelf, maar wat je verdiend hebt, is van God. Zelf heb je alleen straf verdiend. Maar als de beloning komt, zal Hij een erekrans geven voor zijn eigen gaven, niet voor wat jij verdiend hebt.’3

Ergens anders leert hij iets wat op hetzelfde neerkomt: de genade is niet het resultaat van wat je verdient, maar wat je verdient is het resultaat van genade. En even later concludeert hij dat God met zijn genade aan alle verdiensten voorafgaat. Zo wil God zijn eigen verdiensten tevoorschijn brengen. Hij geeft alles helemaal gratis. Want Hij vindt niets dat een reden zou kunnen zijn om de mens te redden.4

Maar waarom zou ik nog meer moeten opsommen? Zulke uitspraken komen vaak in Augustinus’ geschriften voor. En de apostel Paulus kan mijn tegenstanders nog beter bevrijden van deze dwaling, als ze horen op basis van welk uitgangspunt hij concludeert dat de heiligen verheerlijkt worden. ‘Degenen die Hij van tevoren ertoe bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen. En degenen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd. En degenen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.’5 Waarom krijgen de gelovigen dus de erekrans,6 volgens het getuigenis van de apostel? Omdat ze door de barmhartigheid van de Heer – niet door hun eigen inspanningen – ertoe bestemd en geroepen en gerechtvaardigd zijn.

Weg dus met die onnodige vrees dat er niets meer te verdienen valt als de vrijheid van de wil niet overeind blijft. Want het is het toppunt van dwaasheid als je bang wordt en wegvlucht voor het standpunt waar de Schrift ons juist heenroept. ‘Als je alles gekregen hebt,’ zegt de Schrift, ‘waarom beroem je je dan alsof je het niet gekregen hebt?’7 Je ziet dus dat de apostel van de vrije wil niets overlaat. Want hij wil geen ruimte laten om zelf iets te verdienen. Maar Gods goedheid en vrijgevigheid zijn onuitputtelijk en veelzijdig. Daarom beloont Hij de genadegaven die Hij ons geeft, alsof het onze eigen goede eigenschappen waren. Want Hij maakt dat ze van ons zijn.

1Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 70,1

2Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Psalm 31,2 en 7

3Augustinus, Epistulae 155

4Augustinus, De verbis apostolorum 15

5Romeinen 8:30

62 Timotheüs 4:8

71 Korinthiërs 4:7

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in