2.3.9 – We kunnen niets goeds doen, behalve uit genade

Hetzelfde lezen we in de gebeden die door heiligen zijn opgesteld. ‘Moge de HEER ervoor zorgen dat ons hart Hem genegen is,’ zei Salomo, ‘zodat we ons aan zijn geboden houden.’ 1 Koningen 8:58 Hij laat daarmee zien dat ons hart koppig is. Van nature komt het in verzet tegen de wet van God, als het niet buigzaam gemaakt wordt.

Je vindt dit ook in Psalm 119: ‘Buig mijn hart naar uw getuigenissen.’ Psalm 119:36 We moeten altijd letten op de tegenstelling tussen de verkeerde gemoedsbewegingen die het hart koppig maken en de correctie die het hart tot gehoorzaamheid dwingt.

En als David beseft dat hij een tijdlang de leidende genade van God gemist heeft, vraagt hij of God in hem een rein hart wil scheppen en hem vanbinnen wil vernieuwen met een standvastige geest. Psalm 51:12 Erkent hij daarmee niet dat zijn hele hart vol vuilheid zit en dat zijn geest door alle slechtheid misvormd is? En geeft hij niet toe dat de reinheid waar hij om bidt volledig van God komt? Hij zegt immers dat God die schept.

Misschien brengt iemand hiertegen in dat Davids gebed zelf al een bewijs is van een vroom en heilig hart. Maar dan heb ik mijn antwoord klaar: David was inderdaad al gedeeltelijk tot inkeer gekomen. Maar hij zet hier zijn vorige toestand tegenover de trieste val die hij ervaren had. Hij stelt zich dus op als een mens die van God vervreemd is. En dan is het terecht dat hij bidt of hij mag krijgen wat God de uitverkorenen allemaal geeft als ze opnieuw geboren worden. Als een dode wil hij herschapen worden, zodat hij niet langer een slaaf van Satan is, maar een instrument wordt van de Heilige Geest.

De wellust van onze trots is werkelijk vreemd en afschuwelijk. De Heer eist van ons niets zo streng als dat we ons toegewijd houden aan zijn rustdag en uitrusten van ons werk. Exodus 20:8-11; Deuteronomium 5:12-15 En toch zijn wij nergens zo moeilijk toe te brengen als tot het loslaten van ons eigen werk om Gods werk de ruimte te geven die het toekomt.

Stond onze dwaasheid maar niet in de weg. Dan zouden we zien dat Christus duidelijk genoeg van zijn genadegaven getuigd heeft. En dan zouden we ze niet opzettelijk verduisteren. Hij zegt: ‘Ik ben de wijnstok. Jullie zijn de ranken. Mijn vader is de landbouwer. De rank kan geen vrucht dragen als ze niet aan de wijnstok blijft. Zo kunnen jullie ook geen vrucht dragen als jullie niet in Mij blijven. Want zonder Mij kunnen jullie niets doen.’ Johannes 15:1-5 Uit onszelf dragen wij dus net zomin vrucht als een rank die uit de aarde losgerukt is en zonder water zit, uitbot. We hoeven dus niet verder te vragen hoe geschikt onze natuur is om het goede te doen.

En de conclusie is ondubbelzinnig: ‘Zonder Mij kunnen jullie niets doen.’ Hij zegt niet dat we te zwak zijn om aan onszelf genoeg te hebben. Hij laat niets van ons over en ontneemt ons elk waanidee dat we zelf ook maar iets zouden kunnen. Een wijnstok krijgt zijn groei uit het vocht van de aarde, uit de dauw van de hemel en uit de warmte van de zon. Als wij zo vrucht dragen als we zijn geënt in Christus, dan zie ik in het doen van goede daden niets overblijven voor onszelf. Als we tenminste afblijven van wat God toebehoort.

Het is tevergeefs om met een flauwe scherpzinnigheid op te merken dat een rank al sap in zich heeft en de mogelijkheid om vrucht te dragen. En dat een rank daarom niet alles uit de aarde of uit de wortel van de wijnstok krijgt, maar ook zelf iets bijdraagt. Christus bedoelt niets anders dan dat wij dor hout zijn dat geen enkele waarde heeft, als we van Hem gescheiden zijn. Want zonder Hem zijn wij niet in staat iets goeds te doen. Dat zegt Hij ook ergens anders: ‘Elke plant die mijn Vader niet geplant heeft, zal met wortel en tak uitgeroeid worden.’ Mattheüs 15:13

Daarom schrijft de apostel Paulus alles aan Hem toe, in de passage die ik al aangehaald heb: ‘God maakt zowel dat jullie willen als dat jullie doen.’ Filippenzen 2:13 Het eerste onderdeel van een goede daad is dat je het wilt. Het andere onderdeel is dat je je uiterste best doet om het uit te voeren. Beide onderdelen worden door God bewerkt. Dus als we onszelf iets aanmatigen – in het willen of in het uitvoeren – dan ontfutselen we dat dus aan de Heer. Als er gezegd zou worden dat God een zwakke wil te hulp komt, dán zou er voor ons nog iets overblijven. Maar er wordt gezegd dat Hij maakt dat we willen. Daarmee wordt alles wat goed is in onze wil buiten onszelf geplaatst.

Verder gaat een wil die al goed is, nog steeds zwaar gebukt onder het vlees. Hij wordt erdoor overmand en kan zich niet eens oprichten. Daarom voegde de apostel eraan toe dat de wil de standvastigheid gegeven wordt om de inspanning te volbrengen. Zo kan hij zich ontworstelen aan deze strijd. Anders zou immers niet kloppen wat de apostel ergens anders leert: de enige God werkt alles in allen. 1 Korinthiërs 12:6 Ik heb hiervóór al uitgelegd dat dat de hele loop van het geestelijk leven omvat.

David bidt of Gods wegen aan hem geopenbaard mogen worden, zodat hij in Gods waarheid kan wandelen. Maar hij voegt er meteen aan toe: ‘Maak mijn hart één om uw naam te vrezen.’ Psalm 86:11 Met die woorden geeft hij aan dat er ook aan hen die het goed bedoelen van allerlei kanten getrokken wordt. Ze worden gemakkelijk weggeblazen of weggespoeld als ze niet de kracht krijgen om stand te houden. En in een andere passage bidt hij of zijn voetstappen zo gericht mogen worden dat hij zich houdt aan Gods Woord. En dan vraagt hij ook of hij de kracht mag krijgen voor de strijd. Hij zegt: ‘Laat geen zonde over mij heersen.’ Psalm 119:133

Op deze manier begint de Heer een goede daad dus in ons en maakt Hij die ook af. Dus komt het van Hem dat een mens met zijn wil het goede lief krijgt, dat hij graag het goede nastreeft, dat hij wordt aangezet en aangespoord om zich in te spannen om het goede te bereiken. En vervolgens komt het ook van Hem dat zijn keuze, ijver en inspanning niet verflauwen, maar dat hij daadwerkelijk aan het werk gaat. En ten slotte komt het van Hem dat een mens standvastig blijft doorgaan en tot het eind toe volhoudt.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. Een verbeterde versie van deze vertaling is verkrijgbaar in druk en als e-book. Het zal nog even duren voor alle laatste correcties ook op de website doorgevoerd zijn.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.