2.3.4 – Als een mens van nature beter lijkt dan een ander, is dat slechts schijn

0
96

Het probleem is echter nog niet opgelost. Want óf we moeten Camillus gelijkstellen aan Catilina, óf Camillus is er een voorbeeld van dat onze natuurlijke aanleg niet volledig beroofd is van het goede. Als je je natuurlijke aanleg maar ijverig cultiveert.

Inderdaad geef ik toe dat Camillus schitterende gaven had. Die gaven waren een geschenk van God, maar toch valt Camillus er terecht om te prijzen. Maar alleen zolang je die gaven op zichzelf bekijkt. Want hoe kunnen die gaven het bewijs vormen dat Camillus van nature ongeschonden was? Moeten we misschien in zijn hart kijken en als volgt redeneren: als een natuurlijk mens uitblinkt door zo’n morele integriteit, dan moet de mens van nature wel in staat zijn om een fatsoenlijk leven na te streven?1

Maar wat als het hart van Camillus slecht en misvormd was? Wat als hij eerder iets anders nastreefde dan rechtvaardigheid? En er valt niet aan te twijfelen dat het zo was, als je toegeeft dat hij een natuurlijk mens was. Tot wat voor goeds wil je mij wijsmaken dat de mens op dit punt van nature in staat is? Zelfs wie het meest zuiver lijkt te zijn, blijkt zich altijd weer in het bederf te storten.

Je moet een mens dus niet prijzen om zijn goede eigenschappen als onder het mom van goede eigenschappen zijn slechte eigenschappen je bedriegen. En zo moet je dus ook de menselijke wil niet het vermogen toedichten om het goede te zoeken zolang de wil vastzit in zijn slechtheid.

Echter, dit is de betrouwbaarste en gemakkelijkste oplossing van dit probleem: de gaven van Camillus waren geen algemene, natuurlijke gaven. Het waren bijzondere genadegaven van God. Deze gaven deelt Hij in verschillende mate op beperkte schaal aan de mensen uit. Verder blijven die mensen onheilig. En daarom ben ik niet bang om in het dagelijks taalgebruik van de een te zeggen dat hij een goed karakter heeft en van de ander dat hij een slecht karakter heeft. Toch is dat voor mij geen belemmering om te stellen dat op hen beiden de algemene verdorven toestand van de mensen van toepassing is. Ik geef alleen aan dat de Heer de een een speciale genadegave waardig gekeurd heeft en de ander niet.

Toen de Heer Saul aan wilde stellen als hoofd van het koninkrijk, maakte Hij hem net een nieuw mens.2 Dit is de reden dat Plato – zinspelend op een verhaal van Homerus – zegt dat koningszonen geboren worden met een of ander speciaal kenmerk. Want God wil voor het menselijk geslacht zorgen. Daarom voorziet Hij degenen die Hij bestemt om te regeren vaak van een heroïsch karakter. Alle grote leiders die in de geschiedenisboeken bejubeld worden, zijn afkomstig uit deze werkplaats.

Gewone mensen moeten we op dezelfde manier beoordelen. Maar hoe meer iemand uitblonk, hoe meer zo iemand ook altijd gedreven werd door zijn eigen eerzucht. Dat is een smet die alle goede eigenschappen bezoedelt, zodat ze God er op geen enkele manier meer plezier mee doen. Daarom moeten we alles wat in goddeloze mensen prijzenswaard lijkt als waardeloos beschouwen.

Daar komt bij dat het belangrijkste onderdeel van de rechtvaardigheid ontbreekt als je niet je best doet om God te verheerlijken. En niemand doet daarvoor zijn best zolang God hem niet door zijn Geest opnieuw geboren heeft laten worden. Niet voor niets zegt Jesaja dat op Christus de Geest van de vrees voor de HEER rust.3 Zo wordt ons geleerd dat zij die Christus niet kennen de vrees voor God missen. En die vrees is het begin van de wijsheid.4

Wat betreft de goede eigenschappen die ons bedriegen met hun loze schijn: in de politieke arena en door de grote massa worden ze geprezen. Maar voor de hemelse rechtbank zullen ze geen enkele waarde hebben om de rechtvaardigheid te verdienen.

1Augustinus, Contra Iulianum IV, 3,16

21 Samuël 10:6

3Jesaja 11:2

4Psalm 111:10

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in