Insitutie Boek 2 – God als verlosser in Christus 2.3 – Het bederf van de menselijke natuur 2.3.11 – Latere genadegaven verdienen we niet met onze reactie op eerdere genadegaven

2.3.11 – Latere genadegaven verdienen we niet met onze reactie op eerdere genadegaven

Er zou geen twijfel over bestaan dat we volharding moeten beschouwen als een genadegave van God, als niet deze verderfelijke dwaling de overhand had gekregen: dat volharding uitgedeeld wordt op basis van wat mensen verdiend hebben, afhankelijk van de vraag of ze niet ondankbaar zijn gebleken voor de eerste genade. Maar deze dwaling is ontstaan uit het idee dat we het zelf in de hand hebben of we het aanbod van Gods genade afwijzen of aannemen. Als we dat idee opblazen, stort deze dwaling ook meteen in elkaar.

De aanhangers van deze dwaling maken trouwens twee fouten. Ze leren dat we, als we dankbaar zijn voor de eerste genade en die op de juiste manier gebruiken, beloond worden met de latere gaven. En daar voegen ze nog aan toe dat de genade dan niet meer alleen in ons werkt. De genade werkt dan enkel nog maar met ons mee.

Wat betreft het eerste punt moeten we het zo zien: de Heer maakt zijn dienaren elke dag rijker. Hij overstelpt hen met telkens nieuwe genadegaven. Want het werk dat Hij in hen begonnen is, bevalt Hem. Daarom vindt Hij in hen redenen om hen nog grotere genadegaven waard te keuren. En daarop slaan de volgende zinnen: ‘… aan hem zal gegeven worden,’ en: ‘Uitstekend, goede slaaf! Omdat je trouw bent geweest in weinig, zal ik je aanstellen over veel.’ Mattheüs 25:21-29; Lucas 19:17-26

Maar we moeten hier voor twee dingen oppassen. We mogen niet zeggen dat latere genadegaven een beloning zijn voor het juiste gebruik van de eerste genade. Alsof de mens Gods genade effectief maakt door zelf zijn best te doen. In de tweede plaats mogen we die beloning niet zo opvatten dat we die niet meer beschouwen als Gods vrije genade.

Ik geef dus toe dat gelovigen Gods zegen mogen verwachten. Hoe beter ze gebruik maken van eerdere genadegaven, hoe grotere genadegaven ze daarna nog zullen krijgen. Maar volgens mij is ook het gebruik dat ze van de eerste genade maken een geschenk van God. En de beloning is het gevolg van zijn genadige welwillendheid.

De aanhangers van deze dwaling maken op een even gemene als ongelukkige manier gebruik van het bekende onderscheid tussen werkende en meewerkende genade. Augustinus gebruikte dit onderscheid ook wel, maar hij zwakte dat af met deze toepasselijke definitie: God maakt meewerkend af wat Hij werkend begint. En de genade is hetzelfde, maar wordt anders genoemd, omdat zij anders werkt. Dat betekent dus dat Augustinus geen verdeling maakt tussen God en ons, alsof wat God doet en wat wij doen van beide kanten bij elkaar komt. In plaats daarvan wil hij aangeven dat we steeds meer genade krijgen. En daarom zegt hij ergens anders dat God veel dingen geeft vóórdat de mens het goede wil. Dat geldt ook voor de wil om het goede te doen zelf.1 En dat betekent dus dat Augustinus niets voor de wil overlaat dat we onszelf zouden kunnen aanmatigen.

Paulus heeft dat ook uitdrukkelijk gezegd. Hij zei dat God zowel maakt dat wij willen als dat wij doen. En daar voegde hij meteen aan toe dat God die beide dingen doet omdat het Hem behaagt. Filippenzen 2:13 Daarmee zegt Paulus dat het een geschenk van God is, uit genade.

De aanhangers van deze dwaling zeggen steeds dat we na het aannemen van de eerste genade, zelf meewerken met de volgende genade. Daarop is mijn antwoord: als ze daarmee bedoelen dat we – door de kracht van de Heer eenmaal gedwongen tot gehoorzaamheid aan rechtvaardigheid – uit eigen beweging doorgaan en graag het werk van de genade volgen, dan heb ik daar niets tegen in te brengen. Want het is absoluut waar dat waar Gods genade regeert, mensen graag bereid zijn te gehoorzamen. Maar hoe komt dat? De Geest van God verandert nooit van gedachten. Als Hij eerst in iemand de bereidheid om te gehoorzamen heeft gewekt, voedt en versterkt Hij die vervolgens zodat zo iemand standvastig blijft volhouden. Maar als ze bedoelen dat een mens uit zichzelf in staat is om met Gods genade mee te werken, dan lijden ze aan levensgevaarlijke waanideeën.

1Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide, spe et caritate, 9,32.

Deze moderne vertaling van de Institutie van Johannes Calvijn heb ik tussen 2013 en 2018 paragraaf voor paragraaf op deze website geplaatst. Een verbeterde versie van deze vertaling is verkrijgbaar in druk en als e-book. Het zal nog even duren voor alle laatste correcties ook op de website doorgevoerd zijn.

Gerrit Veldman

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in

Johannes Calvijnhttp://institutie.gerritveldman.nl
De reformator Johannes Calvijn leefde van 1509 tot 1564. In 1536 verscheen de eerste versie van zijn Institutie, oftewel Onderwijs in de christelijke godsdienst. Vervolgens breidde hij het boek een aantal keer fors uit, tot in 1559 de definitieve versie verscheen.

Als je deze website bezoekt, worden er cookies op je apparaat geplaatst. Cookies die nodig zijn om deze site goed te laten werken of om anonieme statistieken bij te houden, worden altijd geplaatst. Maar voor cookies die gebruikt worden om jouw surfgedrag te registreren, moet je eerst toestemming geven. Meer informatie.