2.2.9 – Volgens de kerkvaders moeten we niet op onszelf vertrouwen

0
381

Het lijkt misschien dat ik een vooroordeel tegen mezelf opgeroepen heb doordat ik heb toegegeven dat alle kerkelijke schrijvers, op Augustinus na, zo dubbelzinnig of inconsequent over dit onderwerp gesproken hebben dat er uit hun geschriften niets met zekerheid valt af te leiden. Want sommigen zullen dit interpreteren als een poging van mij om hun in deze zaak hun stemrecht te ontnemen, omdat ze allemaal tegen mij zijn.

Maar ik heb niets anders op het oog gehad dan simpelweg en oprecht zorgen voor vrome mensen. Want als zij het op dit punt verwachten van de mening van de oude schrijvers, zullen ze altijd in onzekerheid blijven verkeren. Immers, het ene moment leren ze dat de mens beroofd is van zijn vrije wil en alleen in genade zijn toevlucht moet nemen. Het volgende moment voorzien ze de mens toch weer – zo lijkt het tenminste – van eigen wapens.

Toch is het niet moeilijk om te laten zien dat ze in hun dubbelzinnige manier van spreken de eer voor al het goede volledig aan de Heilige Geest toekenden. Want aan de vermogens van de mens hechtten ze geen of zo min mogelijk waarde. Ik kan dat laten zien door hier enkele uitspraken van hen in te voegen waarin dat duidelijk geleerd wordt.

Augustinus haalt vaak deze woorden aan van Cyprianus: ‘Wij mogen ons nergens op laten voorstaan, want niets is van ons.’1 Wat betekent dat anders dan dat de mens in zichzelf volledig vernietigd is en moet leren dat hij totaal van God afhankelijk is?

Wat betekenen de woorden van Augustinus en Eucherius,2 vroeger bisschop van Lyon, als ze uitleggen dat Christus de boom van het leven is? Wie zijn hand uitstrekt naar die boom zal leven. Ook leggen ze uit dat de begeerte van de wil de boom is van de kennis van goed en kwaad. Wie de genade van God loslaat en van deze boom proeft, zal sterven.3

En wat betekenen de woorden van Chrysostomos dat ieder mens niet alleen van nature zonde doet, maar dat hij helemaal zonde is? Als niets goeds van ons is, als de mens van het hoofd tot de voeten helemaal zonde is, als hij zelfs niet eens mag uitproberen waartoe de wil nog in staat is – hoe kun je dan de eer voor een goed werk nog verdelen tussen God en de mens?

Ik zou heel veel van dit soort uitspraken kunnen citeren uit andere schrijvers. Maar ik wil niet dat iemand mij zou kunnen verwijten dat ik alleen uitkies wat mijn opvatting ondersteunt en listig negeer wat tegen mijn opvatting ingaat. Daarom zal ik ervan afzien om zulke citaten te noemen. Maar toch durf ik dit verzekeren: ook al gaan de oude schrijvers een beetje te ver in het ophemelen van de vrije wil, toch was dit het doel dat ze voor ogen hadden: de mens leren dat hij volledig moet stoppen met op zijn eigen kracht vertrouwen en zijn vesting alleen op God moet bouwen.

Nu ben ik eraan toe om eenvoudig uit te leggen wat de waarheid is als het gaat om de menselijke natuur.

1Augustinus, De praedestinatione sanctorum, 3,7; Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium IV, 9,25-26.

2Eucherius (ca. 400), bisschop van Lyon.

3Augustinus, De Genesi ad litteram VIII, 4-6.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in