2.2.27 – De mens kan niet van nature het goede willen

0
194

Er zijn ook mensen die erkennen dat wij effectief kunnen willen omdat Gods genade eraan voorafgaat. Maar aan de andere kant lijken ze te suggereren dat de ziel in staat is om uit eigen beweging het goede na te streven. Alleen is dat vermogen zo zwak dat het niet kan uitgroeien tot een begeerte die sterk genoeg is om het ook daadwerkelijk te proberen. Ongetwijfeld is dit de algemeen aanvaarde opvatting onder de scholastici. Ze hebben dit idee overgenomen van Origenes en andere oude schrijvers. Want onder hen is het gebruikelijk om de mens te beschouwen als wezen met – zoals zij dat noemen – een zuivere natuur. Zo zou de apostel Paulus de mens beschrijven in deze woorden: ‘Want het goede dat ik wil, doe ik niet. En het slechte dat ik niet wil, doe ik wel. De wil heb ik wel. Maar het lukt me niet om het te doen.’1

Maar op deze manier verdraaien ze heel het betoog dat Paulus hier houdt. Want hij heeft het over de strijd van christen. Diezelfde strijd stipt hij ook kort aan in de brief aan de Galaten. De gelovigen ervaren voortdurend een conflict tussen hun vlees en hun geest.2 En de geest komt niet voort uit zijn menselijke natuur, maar uit zijn opnieuw geboren zijn.

Dat de apostel het hier heeft over mensen die opnieuw geboren zijn, blijkt omdat hij eerst zegt dat er in hem niets goeds woont, maar daar dan als uitleg aan toevoegt dat hij dan zijn vlees bedoelt. En daarom zegt hij dat hij niet zelf het slechte doet, maar dat de zonde die in hem huist dat doet. Wat bedoelt hij anders als hij zichzelf corrigeert: ‘In mij, dat wil zeggen, in mijn vlees’? Het is alsof hij zegt: ‘In mij huist niets goeds van mijzelf. Want in mijn vlees is niets goeds te vinden.’ En vervolgens verontschuldigt hij zich zo: ‘Ik doe het slechte niet zelf, maar de zonde die in mij huist doet het.’ Die verontschuldiging is alleen geldig voor wie opnieuw geboren is. Want alleen wie opnieuw geboren is, streeft met het belangrijkste deel van zijn ziel het goede na.

De conclusie die Paulus vervolgens trekt, toont duidelijk aan dat hij het zo bedoelt. ‘Innerlijk,’ zegt hij, ‘verheug ik me in de wet van God. Maar in mijn ledematen zie ik een andere wet. Die wet verzet zich tegen de wet in mijn hart.’3 Wie anders zou zo’n vete in zichzelf hebben, dan wie door de Geest van God opnieuw geboren is? Zo iemand draagt nog de restanten van het vlees bij zich. Daarom heeft Augustinus zijn uitleg herroepen. Eerst dacht hij dat deze woorden op de menselijke natuur sloegen. Maar later vond hij dat die uitleg onjuist was en slecht paste.4

En inderdaad, stel dat we accepteren dat mensen zonder genade al enkele aanzetten hebben, hoe klein ook, in de goede richting. Wat moeten we dan antwoorden aan de apostel Paulus? Hij zegt dat we zelfs niet in staat zijn om iets goeds te denken.5 Of wat zullen we antwoorden aan de Heer? Hij verkondigt via Mozes dat de hersenspinsels van de mens alleen maar slecht zijn.6

De mensen die deze mening hebben, zijn dus gestruikeld over een verkeerde interpretatie van één passage. Daarom is er geen reden om nog langer bij hun opvattingen te blijven stilstaan. We moeten meer waarde hechten aan het woord van Christus: ieder die zonde doet, is een slaaf van de zonde.7 We zijn allemaal van nature zondaars en dus zitten we allemaal gevangen onder het juk van de zonde. Als heel de mens onderworpen is aan het gezag van de zonde, dan kan het niet anders of in elk geval de wil zit vast in knellende boeien. Want de zonde huist vooral in de wil. Bovendien zou het niet logisch zijn dat Paulus zegt dat God maakt dat wij willen,8 als onze wil voorafging aan de genade van de Geest.

Weg dus met dat geklets van al die mensen over een voorbereiding! Weliswaar bidden de gelovigen soms of hun hart gehoorzaam gemaakt mag worden aan Gods wet. David doet dat heel vaak.9 Maar dan moeten we wel bedenken dat ook het verlangen om dit te bidden van God komt. Uit Davids woorden kun je dat opmaken. Hij wil wel graag dat er in hem een rein hart geschapen wordt. Maar hij matigt zich absoluut niet aan dat hij zelf die schepping begonnen is!

Daarom moeten we meer waarde hechten aan deze uitspraak van Augustinus: ‘Gods werk komt altijd voor dat van jou. Nu moet jij op jouw beurt zijn toorn voorkomen. Hoe? Erken dat je alles van God gekregen hebt. Dat al het goede dat je hebt, van God komt en dat al het slechte dat je hebt, van jou komt.’ En even later: ‘Van ons komt alleen maar zonde.’10

1Romeinen 7:15-19

2Galaten 5:17

3Romeinen 7:22-23

4Augustinus, Contra duas epistolas Pelagianorum ad Bonifacium I, 10,22; Augustinus, Retractiones I, 15, 23 en 26

52 Korinthiërs 3:5

6Genesis 8:21

7Johannes 8:34

8Filippenzen 2:13

9Psalm 119; Psalm 51:12

10Augustinus, De verbis apostolorum 176,5-6

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in