2.16.2 – Gods liefde en woede

0
508

Maar voor we verder gaan, moeten we ons in het voorbijgaan afvragen hoe het kan dat dezelfde God die in zijn barmhartigheid de eerste stap gezet heeft, onze vijand was zolang Hij nog niet door Christus met ons verzoend was. Want hoe kon Hij ons in zijn eniggeboren Zoon een bijzonder bewijs van zijn liefde geven als Hij ons niet eerst met onverdiende genegenheid omhelsd had? We lijken hier dus op een tegenstrijdigheid te stuiten en dat probleem moet ik oplossen.

De Geest zegt het in de Schrift ongeveer zo: God stond vijandig tegenover de mensen, totdat zij door de dood van Christus weer in genade aangenomen zijn. Romeinen 5:10 Ze waren vervloekt, totdat hun zonden door zijn offer verzoend zijn. Galaten 3:10-13 Ze waren van God vervreemd, totdat ze door zijn lichaam zijn aangenomen om met Hem verbonden te zijn. Kolossenzen 1:21-22 Dit soort uitspraken is aangepast aan ons begrip, zodat we extra goed kunnen begrijpen hoe ellendig en catastrofaal onze toestand is buiten Christus. Want als niet met duidelijke woorden gezegd werd dat Gods woede en wraak en de eeuwige dood op ons drukten, zouden we veel minder goed begrijpen hoe ellendig we eraan toe zouden zijn zonder Gods barmhartigheid. En dan zouden we de zegen van de verlossing niet op waarde schatten.

Stel bijvoorbeeld dat iemand deze woorden zou horen: ‘Als God in de tijd dat jij nog een zondaar was jou had gehaat en je verworpen had, zoals je verdiende, dan wachtte jou een vreselijke ondergang. Maar Hij heeft je uit eigen beweging en door zijn onverdiende welwillendheid uit genade gered. Hij heeft je niet van Hem laten vervreemden. Zo heeft Hij je uit dat gevaar bevrijd.’ Als iemand deze woorden hoort, zal hij daar wel door geraakt worden en enigszins aanvoelen hoeveel hij aan Gods barmhartigheid te danken heeft.

Maar stel nu dat hij hoort wat de Schrift leert: ‘Je was van God vervreemd door je zonde. Je was een erfgenaam van Gods woede, onderworpen aan de vloek van de eeuwige dood, uitgesloten van alle hoop op redding, vervreemd van elke zegen van God, een slaaf van Satan, gevangen onder het juk van de zonde. Kortom, je was bestemd voor een afschuwelijke ondergang, je zat daar al middenin. Maar Christus is als advocaat tussenbeide gekomen. De straf, die in overeenstemming met Gods rechtvaardig oordeel alle zondaren boven het hoofd hing, heeft Hij op zich genomen en betaald. De verkeerde dingen waardoor God ons haatte, heeft Hij met zijn bloed voldaan. Door dat zoenoffer heeft Hij God de Vader genoegdoening gegeven en Hem verzoend. Doordat Christus tussenbeide kwam, is Gods woede gestild. Op dat fundament rust de vrede tussen God en mensen, deze band houdt zijn welwillendheid tegenover ons vast.’ Als iemand dit hoort, zal hij daardoor dan niet extra geraakt worden, omdat hem extra levendig getekend wordt hoe groot de ellende was waaruit hij verlost is?

Kortom, wij kunnen het leven in Gods barmhartigheid niet begerig genoeg vastpakken en met gepaste dankbaarheid aannemen. Dat kunnen we alleen als we eerst geraakt en verslagen worden door vrees voor Gods woede en angst voor de eeuwige dood. Daarom onderwijst de heilige leer ons zo dat we leren zien dat God zonder Christus in zekere zin vijandig tegenover ons staat en dat zijn hand gewapend is om ons te vernietigen. Want we moeten zijn welwillendheid en vaderliefde alleen omhelzen in Christus.

Bestellen?

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in