2.14.2 – Het onderscheid tussen beide naturen

0
101

Deze dingen zouden niet erg zeker zijn als erin de Schrift niet overal heel veel uitdrukkingen voorkwamen die bewijzen dat niets van dit alles door mensen verzonnen is. Christus zei van zichzelf: ‘Voor Abraham er was, ben ik er.’1 Dat sloeg absoluut niet op zijn mens zijn. En ik weet best welke uitvlucht dwaalgeesten gebruiken om deze passage te bederven: Christus was er voor het begin van de tijd, omdat Hij toen al van tevoren bekend was als verlosser, zowel in het plan van de Vader als in het hart van de vromen. Maar blijkbaar maakt Hij zelf onderscheid tussen de dag waarop Hij verschenen is en zijn eeuwige wezen. En Hij geeft uitdrukkelijk hoog op van zijn gezag dat ouder is dan Abraham. Dus ongetwijfeld kent Hij zichzelf toe wat eigen is aan het God zijn.

Paulus zegt over Hem dat Hij de eerstgeborene is van heel de schepping. Hij bestond al voor alle dingen en door Hem bestaan alle dingen.2 Zelf zegt Christus dat Hij voor de schepping van de wereld heerlijk was bij de Vader en dat Hij samen werkt met de Vader.3 Ook dat past niet bij zijn mens zijn. Het is dus zeker dat we deze en dergelijke dingen specifiek aan zijn God moeten toeschrijven.

Maar Christus wordt ook de slaaf van de Vader genoemd.4 En er wordt verteld dat Hij opgroeide en steeds wijzer werd bij God en mensen.5 Er wordt van Hem gezegd dat Hij niet zijn eigen eer zocht, dat Hij niet wist wanneer de laatste dag komt, dat Hij niet uit zichzelf sprak, dat Hij niet deed wat Hij zelf wilde en dat Hij gezien en aangeraakt is.6 Al die dingen horen bij zijn mens zijn. Immers, voorzover Hij God is, kan Hij nergens in groeien, doet Hij alles omwille van zichzelf en is er niets voor Hem verborgen. Als God doet Hij alles volgens zijn eigen vrije wil en kun je Hem niet zien of aanraken. Toch schrijft Hij deze dingen niet apart alleen aan zijn menselijke natuur toe, maar betrekt Hij ze op zichzelf, alsof ze horen bij de persoon van de middelaar.

En het is een uitwisseling van eigenschappen als Paulus zegt dat God met zijn bloed een gemeente voor zichzelf gekocht heeft en dat de Heer van de heerlijkheid gekruisigd is.7 En Johannes zegt dat hij het Woord van het leven aangeraakt heeft.8 Maar God heeft immers geen bloed, Hij lijdt niet en we kunnen Hem echt niet met onze handen aanraken. Maar Christus was echt God en echt mens. Hij is voor ons gekruisigd, Hij heeft voor ons zijn bloed vergoten. Daarom wordt wat Hij in zijn menselijke natuur gedaan heeft, op een oneigenlijke manier – maar niet zonder reden – aan zijn God zijn toegekend.

We vinden daar nog een voorbeeld van als Johannes leert dat God zijn leven voor ons gegeven heeft.9 Ook daar wordt een eigenschap van zijn menselijke natuur gedeeld met zijn goddelijke natuur. En nog een ander voorbeeld: toen Christus nog op aarde was, zei Hij dat niemand opgevaren is naar de hemel dan de mensenzoon die in de hemel is.10 Vast en zeker was Hij toen als mens en met het vlees dat Hij had aangetrokken niet in de hemel. Maar Hij was allebei, God en mens. Omdat zijn beide naturen een eenheid vormden, kende Hij aan zijn ene natuur toe wat hoorde bij zijn andere natuur.

1Johannes 8:58

2Kolossenzen 1:15-16

3Johannes 17:5; Johannes 5:17

4Jesaja 42:1

5Lucas 2:52

6Johannes 8:50; Marcus 13:32; Johannes 14:10; Johannes 6:38; Lucas 24:39

7Handelingen 20:28; 1 Korinthiërs 2:8

81 Johannes 1:1

91 Johannes 3:16

10Johannes 3:13

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in