2.12.6 – De dwaling van Osiander

0
182

Het principe waar Osiander van uitgaat, is compleet waardeloos. Hij wil beweren dat de mens geschapen is naar het beeld van God, omdat hij gevormd is naar het voorbeeld van de Christus die zou komen. De Vader had al besloten dat Hij Hem met vlees zou bekleden en de mens zou op Hem lijken. En daaruit concludeert Osiander dat als Adam nooit zou zijn afgeweken van zijn eerste ongeschonden oorsprong, Christus toch mens zou zijn geworden. Ieder die beschikt over een gezond beoordelingsvermogen, snapt wat voor verwrongen geklets dat is. Ondertussen denkt hij dat hij als eerste beseft wat wat het beeld van God eigenlijk inhoudt: Gods heerlijkheid blinkt niet alleen in de geweldige gaven waar de mens mee getooid is. Nee, het wezen van God woont in de mens.

Ik echter, ik geef toe dat Adam beelddrager was van God, voorzover hij met God verbonden was. Dat is het werkelijke toppunt van volmaakte waardigheid. Maar toch blijf ik volhouden dat het lijken op God alleen gezocht moet worden in de kenmerken waarmee God Adam boven de andere levende wezens liet uitsteken. En iedereen erkent eensgezind dat Christus toen al het beeld van God was. En dat alle geweldige gaven die in Adam zelf gegraveerd waren, het gevolg waren van het feit dat hij via de eniggeboren Zoon de heerlijkheid van zijn schepper benaderde. De mens is dus geschapen naar Gods beeld, omdat de schepper zelf in hem zijn heerlijkheid wilde laten zien, als in een spiegel. De mens is tot deze eervolle rang gestegen dankzij de eniggeboren Zoon.

Maar ik voeg hier aan toe dat de Zoon zelf het hoofd was van de engelen en de mensen samen. De waardigheid die de mens gekregen had, was dus ook van toepassing op de engelen. We horen immers dat zij zonen van God genoemd worden.1 Daarom kunnen we moeilijk ontkennen dat zij iets gekregen hebben waardoor ze op de Vader lijken. Hij heeft gewild dat zijn heerlijkheid zowel in de engelen als in de mensen aanwezig was en in beide naturen te zien was. Dus is het dom geklets van Osiander als hij zegt dat de engelen toen achtergesteld waren bij de mensen, omdat zij niet de zichtbare vorm van Christus droegen. Immers, zij zouden niet het genot hebben dat ze God voortdurend echt kunnen zien als ze niet op Hem leken. En Paulus leert dat de mensen, als ze vernieuwd worden en weer op God gaan lijken, dat alleen doen doordat ze samengaan met de engelen. Ze worden samen verenigd onder één hoofd.2 Kortom, als we Christus geloven, zal dit het toppunt van ons geluk zijn: we worden opgenomen in de hemel om gelijk te zijn aan de engelen.3 Osiander mag dan beweren dat Christus het belangrijkste voorbeeld geweest is van Gods beeld in de mens. Maar dan kun je evengoed beweren dat Christus ook had moeten delen in de natuur van de engelen. Want het beeld van God is ook van toepassing op hen.

1Psalm 82:6

2Kolossenzen 3:10

3Mattheüs 22:30

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in