2.12.2 – Omdat Christus zowel God als mens was, kon Hij ons kinderen van God maken

0
108

Dit zal nog duidelijker worden als we nagaan hoe ongewoon het werk was dat de middelaar moest uitvoeren: Hij moest ons herstellen in Gods genade. Zo moest Hij ons in plaats van kinderen van de mensen, kinderen van God maken en in plaats van erfgenamen van de hel, erfgenamen van het hemelse koninkrijk. Wie had dat gekund, als Gods Zoon niet tegelijk ook een mensenzoon was geworden en door aan te nemen wat van ons was, aan ons gaf wat van Hem was en wat van nature van Hem was uit genade maakte tot iets van onszelf?

Op basis van deze garantie vertrouwen we erop wat we kinderen van God zijn. Want de natuurlijke Zoon van God heeft net zo’n lichaam aangenomen als wij, hetzelfde vlees als wij, dezelfde botten als wij.1 Daarom was Hij aan ons gelijk. Hij vond het niet erg om op zich te nemen wat eigen was aan ons, zodat wat omgekeerd eigen was aan Hemzelf ook voor ons zou gelden. Zo was Hij samen met ons zowel Gods zoon als mensenzoon. Vandaar die heilige verwantschap als Hij ons met zijn eigen mond zijn broers noemt: ‘Ik vaar op naar mijn Vader en jullie Vader, naar mijn God en jullie God.’2 Dus kunnen wij zeker zijn van de erfenis van het hemelse koninkrijk, omdat de enige Zoon van God ons als zijn broers heeft aangenomen. De erfenis was volledig zijn eigendom, maar als wij zijn broers zijn, dan zijn we dus ook mede-erfgenamen.3

Daarom was het ook vooral om deze reden goed dat degene die onze verlosser zou zijn, echt God en echt mens was. Hij moest de dood verslinden. Wie zou dat gekund hebben, behalve Hij die het leven is? Hij moest de zonde overwinnen. Wie zou dat gekund hebben, behalve Hij die de rechtvaardigheid zelf is? Hij moest de machten van de wereld van de lucht vernietigen. Wie zou dat gekund hebben, behalve Hij die de kracht is die boven wereld en lucht uitsteekt? Bovendien, bij wie is het leven, de rechtvaardigheid of het gezag en de macht van de hemel anders dan bij God alleen? Dus heeft de barmhartige God, toen Hij wilde dat wij verlost zouden worden, in de persoon van de eniggeborene zichzelf aangesteld als onze verlosser.

1Efeziërs 5:29-31; Genesis 2:23-24

2Johannes 20:17

3Romeinen 8:17

Reageren

Schrijf hier je reactie.
Vul hier alsjeblieft je naam in